Art. 23 Richtlijn 2000/29/EG
1. Aan de betrokken lidstaat kan, op zijn verzoek, de in artikel 22 bedoelde financiële bijdrage van de Gemeenschap worden toegekend, wanneer vastgesteld is dat het al dan niet in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organisme in kwestie:
- vermeld is en een kennisgeving welke overeenkomstig artikel 16, lid 1 of lid 2, eerste alinea, gedaan is en
- een acuut gevaar betekent voor de gehele Gemeenschap of een gedeelte daarvan, doordat het voorkomt in een gebied waar, hetzij de aanwezigheid van dit organisme tot op dat moment niet bekend was, hetzij dit organisme uitgeroeid is of wordt en
- via partijen planten, plantaardige producten of andere materialen uit een derde land of uit een ander gebied van de Gemeenschap dit gebied binnengebracht is.
2. Als noodzakelijke maatregelen in de zin van artikel 22 worden beschouwd:
a) destructie, ontsmetting, uitroeiing van ongedierte, sterilisatie, reiniging of elke andere behandeling die door een officiële instantie of op verzoek van een officiële instantie wordt uitgevoerd ten aanzien van:
i) planten, plantaardige producten en andere materialen, waaruit de partij(en) bestaat (bestaan) waarmee het schadelijke organisme in het betrokken gebied is binnengebracht en waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij besmet zijn,
ii) planten, plantaardige producten en andere materialen waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij door het binnengebrachte schadelijke organisme besmet zijn omdat zij uit planten van de betrokken partij(en) zijn verkregen of zich in de nabijheid van planten, plantaardige producten of andere materialen van die partij(en) of daaruit verkregen planten hebben bevonden,
iii) substraten en bedrijfsterreinen waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij door het betrokken schadelijke organisme besmet zijn,
iv) materialen die gebruikt zijn voor de productie, de onmiddellijke of de eindverpakking en de opslag alsmede de lokalen voor opslag of onmiddellijke verpakking, en de vervoermiddelen die in aanraking zijn geweest met de planten, plantaardige producten en andere materialen als hierboven bedoeld;
b) inspecties of tests die door een officiële instantie of op verzoek van een officiële instantie zijn uitgevoerd om na te gaan of en in welke mate er sprake is van besmetting door het binnengebrachte schadelijke organisme;
c) verbod of beperking ten aanzien van het gebruik van substraten, cultuurgrond, of lokalen, planten, plantaardige producten en andere materialen anders dan de materialen van de betrokken partij(en) of de daaruit verkregen materialen, indien dit verbod of deze beperking berust op officiële beslissingen over de fytosanitaire risico's in verband met het binnengebrachte schadelijke organisme.
3. Als uitgaven in rechtstreeks verband met de in lid 2 bedoelde noodzakelijke maatregelen worden beschouwd betalingen uit overheidskredieten:
- ter dekking van de volledige of gedeeltelijke kosten van de in lid 2, onder a) en b), bedoelde maatregelen, met uitzondering van de kosten in verband met de normale werking van de betrokken officiële verantwoordelijke instantie, of
- ter volledige of gedeeltelijke compensatie van de andere financiële verliezen dan de winstderving die rechtstreeks verband houden met één of meer maatregelen als bedoeld in lid 2, onder c).
In afwijking van de bepalingen van de eerste alinea, tweede streepje, kan volgens de procedure van artikel 18 in een toepassingsverordening worden gespecificeerd in welke gevallen een compensatie voor de winstderving beschouwd wordt als uitgave die rechtstreeks verband houdt met de noodzakelijke maatregelen, behoudens inachtneming van de in lid 5 in dit verband gespecificeerde voorwaarden, alsook de tijdslimieten die in die gevallen van toepassing zijn, met een maximum van drie jaar.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 16 dient de betrokken lidstaat, om de financiële bijdrage van de Gemeenschap te kunnen genieten, vóór het eind van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het schadelijke organisme werd ontdekt, het verzoek bij de Commissie in en stelt hij de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van:
- de referentie van de kennisgeving bedoeld in lid 1, eerste streepje,
- de aard en de verbreiding van het schadelijke organisme bedoeld in artikel 22, alsmede van het tijdstip, de plaats en de wijze waarop het ontdekt is,
- de gegevens van de partijen bedoeld in lid 1, derde streepje, waarmee het schadelijke organisme binnengebracht is,
- de noodzakelijke maatregelen die zijn genomen of worden overwogen waarvoor om een financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt verzocht en van het tijdschema van deze maatregelen, alsmede
- de verkregen resultaten en van de werkelijke of geraamde kosten van de verrichte of te verrichten uitgaven en van het gedeelte daarvan dat is of moet worden betaald uit overheidskredieten die de lidstaat voor de uitvoering van die noodzakelijke maatregelen heeft uitgetrokken.
Wanneer het schadelijke organisme vóór 30 januari 1997 is ontdekt, wordt laatstgenoemde datum beschouwd als de datum van ontdekking in de zin van het onderhavige lid en van lid 5, op de voorwaarde dat de werkelijke datum van ontdekking niet vóór 1 januari 1995 ligt. Deze bepaling geldt echter niet met betrekking tot de compensatie van winstderving, bedoeld in lid 3, tweede alinea, behalve in uitzonderlijke gevallen, onder de voorwaarden van de toepassingsverordening als bedoeld in lid 3, bij winstderving die zich daarna voordoet.
5. Onverminderd artikel 24, wordt over de toekenning en het bedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap besloten volgens de procedure van artikel 18 in het licht van de gegevens en documenten die de betrokken lidstaat volgens het bepaalde in lid 4 verstrekt heeft en eventueel van de resultaten van de onderzoeken die onder verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen zijn uitgevoerd uit hoofde van artikel 16, lid 3, eerste alinea, en rekening houdend met de omvang van het in lid 1, tweede streepje, bedoelde gevaar en met de voor deze doeleinden beschikbare kredieten.
Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de financiële bijdrage van de Gemeenschap tot 50 %, en in geval van compensatie voor winstderving als bedoeld in lid 3, tweede alinea, tot 25 %, van de uitgaven die rechtstreeks met de in lid 2 bedoelde noodzakelijke maatregelen verband houden, voor zover deze binnen twee jaar na de datum van ontdekking van het schadelijke organisme bedoeld in artikel 22 zijn genomen of voor die periode worden overwogen.
Deze periode kan volgens dezelfde procedure worden verlengd indien uit de situatie kan worden afgeleid dat het doel van de maatregelen binnen een redelijke extra termijn bereikt zal worden. De financiële bijdrage van de Gemeenschap zal in de betrokken jaren degressief zijn.
Indien de lidstaat de volgens lid 4, derde streepje, vereiste informatie over de identiteit van de partijen niet kan verstrekken, deelt hij mee waar het schadelijke organisme vermoedelijk vandaan komt en waarom de partijen niet geïdentificeerd konden worden. Over de financiële bijdrage kan volgens dezelfde procedure worden beslist in het licht van de resultaten van de evaluatie van deze inlichtingen.
De wijze van toepassing van het onderhavige lid wordt volgens de procedure van artikel 18 in een toepassingsverordening vastgesteld.
6. Rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie in de Gemeenschap, kan volgens de procedure van artikel 18 of 19 worden besloten dat andere acties ten uitvoer zullen worden gelegd of dat voor door de betrokken lidstaat getroffen of overwogen maatregelen bepaalde aanvullende eisen of voorwaarden worden gesteld, indien die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen.
Over de toekenning van de financiële bijdrage van de Gemeenschap in verband met die andere acties, eisen of voorwaarden wordt volgens dezelfde procedure besloten. Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de financiële bijdrage van de Gemeenschap tot 50 % van de uitgaven die rechtstreeks met die andere acties, eisen of voorwaarden verband houden.
Wanneer die andere acties, eisen of voorwaarden hoofdzakelijk gericht zijn op de bescherming van andere delen van het grondgebied van de Gemeenschap dan dat van de betrokken lidstaat, kan volgens dezelfde procedure besloten worden om met de financiële bijdrage van de Gemeenschap meer dan 50 % van de uitgaven te dekken.
De financiële bijdrage van de Gemeenschap is beperkt in de tijd en is in de betrokken jaren degressief.
7. De toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap laat de eventuele rechten van de betrokken lidstaat of van individuele personen onverlet om krachtens hun nationale recht, het Gemeenschapsrecht of het internationale recht uitgaven, verliezen of andere schade te verhalen op derden, met inbegrip van andere lidstaten, in de in artikel 24, lid 3, bedoelde gevallen. Deze rechten gaan van rechtswege op de Gemeenschap over op het moment dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt gestort voorzover deze bijdrage de uitgaven, verliezen of andere schade dekt.
8. De financiële bijdrage van de Gemeenschap kan in verscheidene tranches worden gestort.
Indien blijkt dat de toegekende financiële bijdrage van de Gemeenschap niet langer gerechtvaardigd is, geldt het volgende.
Het bedrag van de uit hoofde van de leden 5 en 6 aan de betrokken lidstaat toegekende financiële bijdrage van de Gemeenschap kan worden verminderd of opgeschort indien op grond van de door de lidstaat verstrekte inlichtingen, of van de resultaten van de onder de verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen verrichte onderzoeken, of van de resultaten van het passende onderzoek dat de Commissie heeft uitgevoerd volgens soortgelijke procedures als die van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen betreffende de Structuurfondsen(9)
- de noodzakelijke maatregelen die krachtens lid 5 of lid 6 in aanmerking komen voor de financiële bijdrage ten onrechte geheel of gedeeltelijk onuitgevoerd zijn gebleven of dat de voorwaarden en termijnen die volgens die bepalingen zijn vastgesteld of door de doelstellingen zijn vereist ten onrechte niet zijn nageleefd, of
- dat de maatregelen niet meer nodig zijn, of een situatie als beschreven in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt bevestigd.
9. De artikelen 8 en 9 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(10) zijn mutatis mutandis van toepassing.
10. De door de Gemeenschap uit hoofde van de leden 5 en 6 aan de betrokken lidstaat toegekende financiële bijdrage dient door die lidstaat geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschap te worden terugbetaald, indien uit de in lid 8 vermelde bronnen blijkt dat:
a) de noodzakelijke maatregelen waarvan is uitgegaan krachtens de leden 5 en 6:
i) niet zijn uitgevoerd, of
ii) niet overeenkomstig de volgens die bepalingen vastgestelde of door de doelstellingen vereiste voorwaarden en termijnen zijn uitgevoerd, of
b) de betaalde bedragen werden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarvoor de financiële bijdrage was toegekend, of
c) een situatie als beschreven in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt ontdekt.
De in lid 7, tweede zin, bedoelde rechten gaan op het moment dat de bijdrage is teruggestort van rechtswege weer op de betrokken lidstaat over, voorzover deze bijdrage de uitgaven dekt.
Over de bedragen die niet worden terugbetaald overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en in overeenstemming met de maatregelen die de Commissie volgens de procedure van artikel 18 bepaalt, zijn moratoire interesten verschuldigd.