Art. 11 Richtlijn 2000/9/EG
1. Elke lidstaat stelt een vergunningsprocedure vast voor de bouw en de inbedrijfstelling van de installaties die op zijn grondgebied worden aangelegd.
2. De lidstaten nemen alle passende maatregelen en stellen de procedures vast, om ervoor te zorgen dat de in bijlage I genoemde veiligheidscomponenten en subsystemen bij installaties die op hun grondgebied worden gebouwd, alleen worden ingebouwd en in bedrijf gesteld indien zij ertoe bijdragen dat deze installaties, mits naar behoren geïnstalleerd en onderhouden en in overeenstemming met hun bestemming gebruikt, de veiligheid en de gezondheid van personen en eventueel de veiligheid van de goederen niet in gevaar kunnen brengen.
3. Indien een lidstaat van oordeel is dat een in bijlage I bedoelde veiligheidscomponent of subsysteem ten aanzien van ontwerp of constructie innoverende kenmerken vertoont, neemt hij alle passende maatregelen en kan hij aan de bouw en/of de inbedrijfstelling van een installatie waarbij een dergelijk innoverend veiligheidscomponent of subsysteem zal worden toegepast, bijzondere voorwaarden verbinden. Hij stelt de Commissie onverwijld in kennis van de bijzondere voorwaarden en de redenen daarvoor. De Commissie legt deze kwestie onverwijld voor aan het in artikel 17 bedoelde comité.
4. De lidstaten nemen alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de installaties slechts gebouwd en in bedrijf gesteld worden indien zij op zodanige wijze zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij beantwoorden aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde essentiële eisen.
5. De lidstaten kunnen op basis van het bepaalde in lid 1 het vrije verkeer van de in bijlage I bedoelde veiligheidscomponenten en subsystemen die vergezeld gaan van een EG-verklaring van overeenstemming in de zin van artikel 7 of artikel 10 niet verbieden, beperken of belemmeren.
6. De opdrachtgever of diens gemachtigde legt de veiligheidsanalyse, de in bijlage I bedoelde veiligheidscomponenten en de EG-verklaringen van overeenstemming en de bijbehorende technische documentatie van de subsystemen voor aan de voor de goedkeuring van de installatie bevoegde instantie en bewaart een kopie daarvan bij de installatie.
7. De lidstaten vergewissen zich ervan dat de veiligheidsanalyse, het veiligheidsrapport en de technische documentatie beschikbaar zijn en alle documenten bevatten met betrekking tot de kenmerken van de installatie alsook in voorkomend geval alle stukken tot staving van de overeenstemming van de in bijlage I bedoelde veiligheidscomponenten en subsystemen. Tevens dienen alle documenten beschikbaar te zijn betreffende de gebruiksvoorwaarden en gebruiksbeperkingen en de volledige informatie met betrekking tot onderhoud, toezicht, afstelling en instandhouding.