Art. 14 Richtlijn 2000/9/EG
1. Stelt een lidstaat vast dat een veiligheidscomponent die voorzien is van de CE-markering van overeenstemming en die in overeenstemming met zijn bestemming in de handel werd gebracht en wordt gebruikt, ofwel een subsysteem dat voorzien is van de in artikel 10, lid 1, bedoelde EG-verklaring van overeenstemming en dat in overeenstemming met zijn bestemming wordt gebruikt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid en veiligheid van personen, en eventueel voor de veiligheid van goederen, dan neemt die lidstaat alle passende maatregelen om de gebruiksomstandigheden voor deze veiligheidscomponent of dit subsysteem te beperken of om het gebruik ervan te verbieden.
De lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk van de getroffen maatregelen in kennis en geeft de redenen van zijn besluit aan, waarbij hij vermeldt of de niet-overeenstemming met name voortvloeit uit:
a) het niet beantwoorden aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde essentiële eisen;
b) een verkeerde toepassing van de in artikel 2, lid 2, bedoelde Europese specificaties, voorzover de toepassing van die specificaties wordt aangevoerd;
c) een leemte in de in artikel 2, lid 2, bedoelde Europese specificaties.
2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in overleg. Wanneer de Commissie na het overleg vaststelt dat:
- de maatregelen gerechtvaardigd zijn, stelt zij de lidstaat die ze heeft genomen en de overige lidstaten, daarvan onmiddellijk in kennis; indien het in lid 1 bedoelde besluit gemotiveerd wordt door een leemte in de Europese specificaties leidt de Commissie, na overleg met de betrokken partijen, de in artikel 2, lid 7, bedoelde procedure in, indien de lidstaat die het besluit heeft genomen, voornemens is het te handhaven;
- de maatregelen betreffende een veiligheidscomponent niet gerechtvaardigd zijn, stelt zij de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde en de lidstaat die de maatregelen heeft genomen, daarvan onmiddellijk in kennis.
- de maatregelen betreffende een subsysteem niet gerechtvaardigd zijn, stelt zij de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of, indien er geen gemachtigde is, de natuurlijke of rechtspersoon die het subsysteem in de handel heeft gebracht en de lidstaat die de maatregelen heeft genomen, daarvan onmiddellijk in kennis.
3. Wanneer een veiligheidscomponent die voorzien is van de CE-markering van overeenstemming niet in overeenstemming blijkt te zijn, neemt de bevoegde lidstaat passende maatregelen tegen degene die deze markering op de veiligheidscomponent heeft aangebracht en de EG-verklaring heeft opgesteld en stelt hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis.
4. Wanneer een subsysteem dat voorzien is van de EG-verklaring van overeenstemming niet in overeenstemming blijkt te zijn, neemt de bevoegde lidstaat passende maatregelen tegen degene die de verklaring heeft opgesteld en stelt hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis.
5. De Commissie draagt er zorg voor dat de lidstaten op de hoogte worden gehouden van de resultaten van deze procedure.