Art. 25 Verordening (EG) nr. 2316/1999
Verordening (EG) nr. 2316/1999
1. Bij de vaststelling van het in artikel 10, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde maximum wordt rekening gehouden met het nationale referentieareaal, met de totale oppervlakte bouwland die in aanmerking komt, en met het feit dat moet worden voorkomen dat een areaal wordt ingezaaid dat tot buitensporige verlagingen van de specifieke areaalbetalingen voor de teelt van oliehoudende zaden zou leiden.
2. Het maximum en de criteria aan de hand waarvan dat maximum is bepaald, worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 juli van het verkoopseizoen voorafgaand aan dat waarvoor de areaalbetaling wordt aangevraagd, aan de Commissie meegedeeld.
3. Om te bepalen of een producent voor de areaalbetaling in aanmerking komt, gaat de bevoegde autoriteit na of in de steunaanvraag van de producent het vastgestelde maximum wordt nageleefd. De oppervlakte waarvoor de producent boven het toegestane maximum de specifieke areaalbetaling voor de teelt van oliehoudende zaden heeft aangevraagd, wordt van de areaalbetaling uitgesloten.
4. Wanneer de uitsluiting van een oppervlakte op grond van lid 3 ertoe leidt dat de braakgelegde oppervlakte van een producent het in artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde, in de betrokken lidstaat geldende maximum overschrijdt, wordt de braakgelegde oppervlakte waarvoor de producent de areaalbetaling heeft aangevraagd, tot dat maximum verlaagd.
5. Oppervlakten die op grond van de leden 3 en 4 van een steunaanvraag "oppervlakten" van een producent worden uitgesloten, worden voor de toepassing van artikel 2, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 niet in aanmerking genomen.