Art. 19 Verordening (EG) nr. 2316/1999

Verordening (EG) nr. 2316/1999

1. Overeenkomstig dit hoofdstuk braakgelegde grond moet een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,3 ha beslaan en ten minste 20 m breed zijn.

De lidstaten mogen:

a) kleinere oppervlakten in aanmerking nemen wanneer het gaat om gehele percelen omgeven door permanente afscheidingen, zoals muren, heggen en waterlopen;

b) gehele percelen van minder dan 20 m breed in aanmerking nemen in gebieden waar dergelijke percelen een traditioneel perceelstype zijn;

c) percelen van minstens 10 m breed langs nimmer opdrogende waterlopen en meren in aanmerking nemen, op voorwaarde dat daarvoor specifieke voorschriften worden vastgesteld, met name om te controleren dat het milieu wordt ontzien.

2. De braakgelegde percelen moeten uit productie worden genomen voor een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus eindigt. De lidstaten bepalen evenwel onder welke voorwaarden de producenten vanaf 15 juli een gewas mogen inzaaien dat in het daaropvolgende jaar wordt geoogst en aan welke voorwaarden moet worden voldaan om in lidstaten waar "transhumance" (het over grote afstanden overbrengen van vee naar andere weidegronden) traditioneel is, de grond vanaf 15 juli voor beweiding te mogen gebruiken.

3. De braakgelegde grond mag niet voor andere vormen van landbouwproductie dan die bedoeld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 worden gebruikt en evenmin voor een winstgevende bestemming die met akkerbouw onverenigbaar zou zijn.

4. De lidstaten nemen passende, op de specifieke situatie van de braakgelegde grond afgestemde maatregelen, met het oog op verzorging van die grond en bescherming van het milieu. Deze maatregelen kunnen ook de instandhouding van een plantendek omvatten; in dat geval moet ervoor worden gezorgd dat dit plantendek niet voor de productie van zaaizaad of pootgoed kan worden bestemd en in geen geval vóór 31 augustus voor landbouwdoeleinden kan worden gebruikt en evenmin vóór 15 januari van het daaropvolgende jaar een voor verkoop bestemde plantaardige productie kan opleveren.

5. De bepalingen van leden 3 en 4 gelden niet voor oppervlakten die zijn bebost of braakgelegd op grond van de artikelen 22, 23, 24 en 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 en die voor de braakleggingsverplichting in aanmerking worden genomen, voor zover die bepalingen strijdig zijn met de milieueisen of de eisen inzake bosbouw waaraan in het kader van genoemde artikelen moet worden voldaan.

Uitspraken die dit artikel aanhalen