Art. 31 Verordening (EG) nr. 1254/1999

Verordening (EG) nr. 1254/1999

1. Om de nadelen voor de markt van de Gemeenschap die het gevolg kunnen zijn van de invoer van bepaalde in artikel 1 bedoelde producten te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van één of meer van deze producten tegen het in artikel 30 bedoelde recht een aanvullend invoerrecht toegepast, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, die in overeenstemming met artikel 300 van het Verdrag is gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, behalve wanneer de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding staan tot het beoogde doel.

2. De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden toegepast, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven.

De hoeveelheden die moeten worden overschreden voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden met name vastgesteld op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelen zich voordoen of zich dreigen voor te doen.

3. De invoerprijzen die in aanmerking dienen te worden genomen voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de zending in kwestie.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor het product.

4. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast volgens de procedure van artikel 43. Deze bepalingen betreffen met name:

a) de producten waarvoor aanvullende invoerrechten kunnen worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw;

b) de andere criteria die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat lid 1 wordt toegepast overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.