Art. 49

1. De restitutie wordt slechts op uitdrukkelijk verzoek van de exporteur betaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangifte ten uitvoer is aanvaard.

De restitutieaanvraag moet worden ingediend:

a) hetzij schriftelijk; de lidstaten kunnen daartoe een specifiek formulier voorschrijven;

b) hetzij met behulp van informatieverwerkende systemen volgens door de bevoegde instanties vastgestelde voorschriften.

Voor de toepassing van dit lid zijn artikel 199, leden 2 en 3, en de artikelen 222, 223 en 224 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van overeenkomstige toepassing.

2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.

Wanneer het uitvoercertificaat voor de uitvoertransactie die recht geeft op de betaling van de restitutie, door een andere lidstaat dan de lidstaat van uitvoer is afgegeven, moet het dossier voor de betaling van de uitvoerrestitutie een rectoversofotokopie van het naar behoren afgeschreven certificaat bevatten.

3. Wanneer het controle-exemplaar T5 of, in voorkomend geval, het nationale document waaruit blijkt dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, als gevolg van omstandigheden die niet aan de exporteur zijn toe te rekenen, niet binnen drie maanden na afgifte is terugontvangen bij het kantoor van vertrek of bij de centraliserende instantie, kan de exporteur bij de bevoegde instantie een met redenen omkleed verzoek indienen om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen.

Bij dit verzoek worden de volgende bewijsstukken overgelegd:

a) wanneer als bewijs dat de producten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, het controle-exemplaar of het nationale document is afgegeven:

- een kopie of fotokopie van het vervoersdocument

en

- een document waaruit blijkt dat het product bij een douanekantoor van een derde land is aangeboden, of een of meer van de in artikel 16, leden 1, 2 en 4, bedoelde documenten.

Het in het tweede streepje bedoelde document behoeft niet te worden overgelegd voor uitvoertransacties waarvoor een restitutie van niet meer dan 1200 EUR wordt verleend; in dit geval echter is de exporteur gehouden het bewijs van betaling over te leggen.

Bij uitvoer naar een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, geldt terugzendingsexemplaar nr. 5 van het document voor gemeenschappelijk douanevervoer, naar behoren geviseerd door dit land, of een voor conform gewaarmerkte fotokopie of een kennisgeving van het douanekantoor van vertrek als bewijsstuk,

b) bij toepassing van de artikelen 36, 40 of 44: een verklaring van het voor de controle op de betrokken bestemming bevoegde douanekantoor, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor visering van het controle-exemplaar T5 door dat kantoor is voldaan, of

c) bij toepassing van artikel 36, lid 1, onder a), of artikel 40: het certificaat van ontvangst, bedoeld in artikel 45, lid 3, onder c), en een document dat de betaling van de voor bevoorrading bestemde producten bewijst.

Voor de toepassing van dit lid heeft een attest van het kantoor van uitgang, waarin wordt bevestigd dat het controle-exemplaar T5 naar behoren is overgelegd en waarin het nummer en het kantoor van afgifte van het T5-document en de datum waarop het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, zijn vermeld, dezelfde waarde als het oorspronkelijke controle-exemplaar T5.

Lid 4 geldt voor het leveren van als gelijkwaardig aangemerkte bewijzen.

4. Wanneer de op grond van artikel 16 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, op zijn verzoek bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.

5. Het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet vergezeld van bewijsstukken, en het in lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen, moeten binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend. Indien deze aanvragen evenwel worden ingediend binnen zes maanden na deze termijn, is het bepaalde in artikel 50, lid 2, eerste alinea, van toepassing.

6. Bij toepassing van artikel 37 moet, behoudens overmacht, het dossier voor de betaling van de restitutie worden ingediend binnen twaalf maanden na de maand waarin de producten aan boord zijn gebracht; in het kader van de in artikel 37, lid l, bedoelde toestemming kan de exporteur evenwel worden verplicht om de betalingsaanvraag binnen een kortere termijn in te dienen.

7. De bevoegde diensten van een lidstaat kunnen verlangen dat alle documenten van het dossier voor de betaling van de restitutie in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze lidstaat worden vertaald.

8. De bevoegde autoriteiten verrichten de in lid 1 bedoelde betaling binnen drie maanden vanaf de dag waarop zij over alle elementen beschikken om het dossier te kunnen afhandelen, behalve:

a) bij overmacht,

of

b) ingeval over het recht op de restitutie een bijzonder administratief onderzoek loopt, in welk geval de betaling pas plaatsvindt nadat het recht op de restitutie is erkend,

of

c) om de compensatie als bedoeld in artikel 52, lid 2, tweede alinea, toe te passen.

9. Als de restitutie per aangifte ten uitvoer niet meer dan 60 EUR bedraagt, hoeft zij niet te worden toegekend.

Uitspraken die dit artikel aanhalen