Art. 4 Verordening (EG) nr. 1540/98, Steun bij sluiting

Verordening (EG) nr. 1540/98

1. Steunmaatregelen ter bestrijding van de normale kosten van het geheel of gedeeltelijk sluiten van scheepsbouw-, scheepsverbouwings- of scheepsreparatiewerven kunnen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits de uit dergelijke steunmaatregelen voortvloeiende capaciteitsvermindering reëel en onomkeerbaar is.

2. De kosten waarvoor de in lid 1 genoemde steun kan worden verleend, zijn met name:

- vergoedingen voor ontslagen en vervroegd gepensioneerde werknemers;

- kosten voor adviesverlening aan ontslagen en vervroegd gepensioneerde werknemers, met inbegrip van betalingen door werven ter vergemakkelijking van de oprichting van kleine ondernemingen die volledig losstaan van die werven en waarvan de activiteiten niet hoofdzakelijk op het gebied van de scheepsbouw, -verbouwing of -reparatie liggen;

- uitkeringen aan werknemers voor herscholing;

- uitgaven om werf, gebouwen, installaties en infrastructuur een andere dan de in artikel 1, onder b), c) en d), genoemde bestemming te geven.

3. Voorts kunnen bij geheel sluiten van ondernemingen voor scheepsbouw, scheepsverbouwing of scheepsreparatie de onderstaande maatregelen eveneens verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt:

- steun voor een bedrag dat niet hoger is dan de hoogste van de onderstaande twee waarden volgens de vaststelling van een onafhankelijke consultant: de resterende boekwaarde van de installaties, waarbij het aandeel van eventuele herwaarderingen sinds 1 januari 1991 die de nationale inflatievoet zouden overschrijden, buiten beschouwing wordt gelaten of de contante waarde van de bijdrage tot de vaste kosten die verkrijgbaar is van de installaties over een periode van drie jaar (min de voordelen die de gesteunde onderneming haalt uit de sluiting van de installaties);

- steun in de vorm van leningen of garanties op leningen ten behoeve van het bedrijfskapitaal dat noodzakelijk is om de onderneming in staat te stellen lopende werkzaamheden te voltooien, mits deze steun beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is en een aanzienlijk deel van de werkzaamheden reeds is verricht.

4. Het bedrag en de intensiteit van de steun moeten gerechtvaardigd zijn door de omvang van de betrokken sluitingen, waarbij rekening moet worden gehouden met de structurele moeilijkheden van de betrokken regio en, in geval van omschakeling op andere industriële activiteiten, met de voor de nieuwe activiteiten geldende wet- en regelgeving van de Gemeenschap.

5. Teneinde ervoor te zorgen dat de sluitingen waarvoor steun is verleend, onomkeerbaar zijn, ziet de betrokken lidstaat erop toe dat de gesloten scheepsbouw-, scheepsverbouwings- en reparatie-installaties gedurende een periode van ten minste tien jaar gesloten blijven.