Art. 3 Verordening (EG) nr. 1540/98, Aan contracten gekoppelde bedrijfssteun
1. Tot en met 31 december 2000 kan productiesteun voor contracten inzake scheepsbouw of -verbouwing, maar niet inzake scheepsreparatie, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van alle vormen van steun voor een bepaald contract (inclusief het subsidie-equivalent van de aan de reder of aan derden toegekende steun) in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun. Voor scheepsbouwcontracten met een contractwaarde vóór de steun van meer dan 10 miljoen ECU is het plafond 9 %, in alle andere gevallen is het plafond 4,5 %.
2. Het voor een contract geldende steunplafond is het op de datum van ondertekening van het definitieve contract geldende plafond.
De vorige alinea geldt echter niet voor schepen die meer dan drie jaar na de datum van ondertekening van het definitieve contract worden opgeleverd. In die gevallen geldt het plafond dat drie jaar vóór de opleveringsdatum van het schip van toepassing was. De Commissie kan echter deze termijn van drie jaar verlengen wanneer dit gerechtvaardigd is wegens het technisch ingewikkelde karakter van het betrokken scheepsbouwproject of wegens vertragingen als gevolg van onverwachte, aanzienlijke en aantoonbare verstoringen met betrekking tot het werkprogramma van een scheepswerf die te wijten zijn aan onvoorziene externe uitzonderlijke omstandigheden.
3. Het verlenen van steun in individuele gevallen krachtens een goedgekeurde steunregeling dient niet vooraf te worden aangemeld of door de Commissie te worden goedgekeurd.
Wanneer evenwel met betrekking tot een bepaald contract concurrentie tussen verscheidene lidstaten bestaat, eist de Commissie, op verzoek van een lidstaat, dat vooraf van de betrokken steunvoornemens kennis wordt gegeven. In die gevallen neemt de Commissie binnen 30 dagen na de kennisgeving een besluit; zulke steunvoornemens mogen niet worden uitgevoerd alvorens de Commissie haar goedkeuring heeft gegeven. Bij het nemen van haar besluit vergewist de Commissie zich ervan dat de voorgenomen steun het handelsverkeer niet beïnvloedt in een mate die het gemeenschappelijk belang schaadt.
4. Steun in de vorm van door de overheid gesteunde kredietfaciliteiten, die aan nationale of buitenlandse reders of derden wordt verleend voor scheepsbouw of -verbouwing, kan verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt en wordt voor het plafond niet meegerekend, op voorwaarde dat de steun in overeenstemming is met de resolutie van de OESO-Raad van 3 augustus 1981 (overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen), dan wel met een overeenkomst die de genoemde overeenkomst wijzigt of daarvoor in de plaats treedt.
5. Steun voor scheepsbouw of -verbouwing die in de vorm van ontwikkelingshulp aan een ontwikkelingsland wordt verleend, is niet aan het plafond onderworpen. Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd als hij in overeenstemming is met de bepalingen die OESO-werkgroep nr. 6 met het oog daarop heeft opgenomen in haar akkoord over de uitlegging van de artikelen 6 tot 8 van de in lid 4 van dit artikel genoemde OESO-overeenkomst of met een later addendum bij of corrigendum op genoemde overeenkomst.
Elk afzonderlijk steunvoornemen van dien aard moet vooraf aan de Commissie worden meegedeeld. De Commissie gaat de bijzondere ontwikkelingscomponent van het steunvoornemen na en vergewist zich ervan dat deze steun onder de werkingssfeer van het in de eerste alinea genoemde akkoord valt en dat de aangeboden ontwikkelingshulp openstaat voor offertes van verschillende werven.