Art. 5 Verordening (EG) nr. 1255/97
De eigenaar of de natuurlijke of rechtspersoon die een halteplaats exploiteert is verantwoordelijk voor de naleving van de relevante bepalingen van deze verordening en dient daartoe met name:
a) alleen dieren toe te laten die overeenkomstig de relevante communautaire wetgeving zijn gecertificeerd en geïdentificeerd, met name wat de bepalingen van artikel 3, lid 3, betreft. Daartoe controleert hij de gezondheidscertificaten of andere begeleidende documenten van de betrokken soorten of categorieën, of laat hij die controleren, alsmede, steekproefsgewijs, de identificatiemerken van de dieren;
b) ervoor te zorgen dat, onverminderd het bepaalde in punt B.3, van bijlage I, de dieren op de halteplaatsen bij dezelfde groep blijven die de aanvankelijke partij vormde, en dat elke partij wordt ondergebracht in volledig gescheiden installaties, die worden beheerd volgens de instructies van de officiële dierenarts om elk contact dat de gezondheidsstatus van de dieren in gevaar kan brengen, te vermijden;
c) ervoor te zorgen dat dieren die op de halteplaatsen verblijven, tijdig worden gevoederd en gedrenkt, rekening houdend met de betrokken soort, en daartoe te beschikken over de nodige hoeveelheden voeder en water;
d) dieren die op de halteplaatsen verblijven te verzorgen en zo nodig maatregelen te nemen om het welzijn van de dieren en de inachtneming van de diergezondheidseisen te waarborgen;
e) indien nodig een beroep te doen op een dierenarts om
- dieren die ziek worden of gewond raken terwijl hij ervoor verantwoordelijk is, de passende diergeneeskundige behandeling te geven, en
- zo nodig ervoor te zorgen dat er een noodslachting van het betrokken dier plaatsvindt, dat het dier wordt gedood of dat er euthanasie op wordt toegepast, overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 93/119/EG.
f) personeel te gebruiken dat over de nodige vaardigheden, kennis en beroepsbekwaamheid beschikt en daartoe binnen het bedrijf of bij een opleidingsinstelling een specifieke opleiding heeft gevolgd of over een gelijkwaardige beroepservaring beschikt om deze dieren te hanteren en ze zo nodig op passende wijze te verzorgen;
g) de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat alle personen die de dieren in de halteplaatsen hanteren, de relevante voorschriften inzake het welzijn van dieren naleven;
h) de in punt C.7 van bijlage I genoemde gegevens in een register of computerbestand op te nemen en te bewaren en gedurende ten minste drie jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit te houden;
i) de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van geconstateerde onregelmatigheden.