Art. 3 Verordening (EG) nr. 1255/97
1. De lidstaten zien erop toe dat de halteplaatsen erkend zijn door de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij gelegen zijn.
2. Voor het toekennen van die erkenning ziet de bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 2, lid 6, van Richtlijn 90/425/EEG erop toe dat de halteplaatsen voldoen aan de eisen die in bijlage I bij deze verordening staan; voorts moeten de halteplaatsen:
a) gelegen zijn in een gebied waar geen verbod of beperking geldt overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving;
b) onder toezicht staan van een officiële dierenarts die er met name op toeziet dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd;
c) functioneren met inachtneming van alle relevante communautaire voorschriften op veterinairrechtelijk gebied en inzake de verplaatsing van dieren en de bescherming van dieren bij het slachten;
d) regelmatig geïnspecteerd worden om na te gaan of nog altijd wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarden.
3. De bevoegde autoriteit kent aan alle erkende halteplaatsen een erkenningsnummer toe. Deze erkenning kan beperkt zijn tot één of meer bijzondere soorten of tot bepaalde categorieën dieren en van een bepaalde gezondheidsstatus. De bevoegde autoriteit geeft de Commissie kennis van de lijst van erkende halteplaatsen en van eventuele bijgewerkte versies. De Commissie deelt deze informatie aan de lidstaten mee in het Permanent Veterinair Comité.
4. De bevoegde autoriteit kan de erkenning schorsen of intrekken wanneer dit artikel of andere relevante bepalingen van deze verordening niet worden nageleefd, wanneer er een wijziging optreedt in de gezondheidsstatus van het gebied waar de halteplaats gelegen is of wanneer de regels inzake het welzijn van dieren worden overtreden. De erkenning kan opnieuw worden verleend wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de halteplaats opnieuw aan alle bepalingen van deze verordening voldoet.