Art. 23 Verordening (EG) nr. 950/97
1. De bergstreken bestaan uit gemeenten of delen daarvan die moeten zijn gekenmerkt door een aanzienlijke beperking in de mogelijkheden tot exploitatie van de grond en door een belangrijke stijging van de kosten van de werkzaamheden, te wijten aan:
a) hetzij zeer ongunstige klimatologische omstandigheden ten gevolge van de hoogteligging, zodat de vegetatieperiode er aanzienlijk korter is;
b) hetzij op geringere hoogte het voorkomen van sterke hellingen over het grootste gedeelte van de oppervlakte, zodat de mechanische bewerking van de grond niet mogelijk is of daartoe bijzonder en zeer duur materiaal moet worden gebruikt;
c) hetzij een combinatie van deze twee factoren indien het belang van de handicap voortvloeiend uit elk van deze factoren afzonderlijk genomen minder groot is; in dat geval moet de uit deze combinatie resulterende handicap gelijkwaardig zijn aan die voortvloeiend uit de onder a) en onder b) bedoelde omstandigheden.
2. Gebieden ten noorden van de 62e breedtegraad en sommige aangrenzende zones worden tot de bergstreken gerekend voorzover zij zijn blootgesteld aan zeer moeilijke klimatologische omstandigheden die een aanzienlijke verkorting van de vegetatieperiode tot gevolg hebben.