Art. 19 Verordening (EG) nr. 950/97
1. De lidstaten stellen het bedrag van de compenserende vergoeding vast naar gelang van de omvang van de permanente natuurlijke belemmeringen voor de landbouwactiviteit en binnen de hieronder genoemde grenzen, zonder dat deze vergoeding evenwel minder kan bedragen dan het in bijlage I aangegeven bedrag per GVE of, in voorkomend geval, per hectare:
a) (vergoeding voor dierteelten) wat de rundvee-, schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal gehouden dieren. De vergoeding mag evenwel niet meer dan het in bijlage I aangegeven niveau bedragen. Het totaalbedrag van de toegekende vergoeding mag het in bijlage I aangegeven bedrag per hectare totale oppervlakte voedergewassen van het bedrijf niet te boven gaan. De tabel voor de omrekening van runderen, eenhoevingen, schapen en geiten in GVE is in bijlage II opgenomen.
In agrarische probleemgebieden waar bijzonder ernstige permanente, in de natuur gelegen nadelen zulks rechtvaardigen, mag de toegekende vergoeding echter op het in bijlage I voorziene bedrag per GVE en per hectare worden gesteld.
De vergoeding mag slechts worden toegekend voor 1,4 GVE per hectare totale oppervlakte voedergewassen van het bedrijf.
Koeien waarvan de melk bestemd is voor verhandeling, kunnen slechts voor de berekening van de vergoeding in aanmerking worden genomen:
- in de bergstreken;
- in de overige probleemgebieden waar de melkproductie een belangrijk deel van de productie van de bedrijven uitmaakt, en voor niet meer dan 20 melkkoeien per bedrijfshoofd.
b) (vergoeding voor andere teelten) wat andere teelten dan de rundvee-, de schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding berekend aan de hand van de oppervlakte cultuurgrond, verminderd met de oppervlakte voor diervoedergewassen en
- voor alle agrarische probleemgebieden, verminderd met het tarweareaal, behalve de oppervlakte voor de verbouw van zachte tarwe in gebieden met een gemiddelde opbrengst van zachte tarwe van niet meer dan 2,5 ton per hectare,
- voor alle probleemgebieden, verminderd met de oppervlakte aaneengesloten aanplantingen van appel-, pere- en perzikbomen boven 0,5 hectare per bedrijf,
- voor de probleemgebieden buiten bergstreken, verminderd met de oppervlakte die wordt gebruikt voor druiven voor de productie van wijn met uitzondering van wijngaarden met een opbrengst van niet meer dan 20 hectoliter per hectare, de productie van suikerbieten en intensieve teelten.
De vergoeding mag niet meer bedragen dan het in bijlage I aangegeven bedrag per hectare. In probleemgebieden waarin bijzonder ernstige, permanente, natuurlijke handicaps zulks rechtvaardigen, mag het totale bedrag van de toegekende vergoeding echter worden gebracht op het in bijlage I voorziene bedrag per hectare.
c) (differentiëren van de vergoeding) De lidstaten kunnen het bedrag van de compenserende vergoeding differentiëren aan de hand van de economische situatie van het bedrijf en het inkomen van het bedrijfshoofd. Het bedrag van de vergoeding kan eveneens worden gedifferentieerd op grond van het gebruik van met de vereisten inzake milieubescherming en instandhouding van het landschap verenigbare landbouwmethoden, echter zonder dat eventuele verhogingen gecumuleerd kunnen worden met de steun als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2078/92 (10).
2. Het maximumbedrag dat voor financiering uit het Fonds in aanmerking komt, is beperkt tot het equivalent van 120 eenheden per bedrijf, ongeacht of het grootvee-eenheden (GVE) of oppervlakte-eenheden (ha) betreft; boven het equivalent van de eerste 60 eenheden wordt het maximumbedrag verlaagd met de helft.
3. De uitgaven voor de compenserende vergoeding komen evenwel niet in aanmerking voor medefinanciering door het Fonds wanneer de betrokken landbouwer een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt.
Het is verboden een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen toe te kennen die van de in deze titel bedoelde grenzen of voorwaarden afwijkt.
4. Met het oog op de toepassing van dit artikel worden alle probleemgebieden in Finland beschouwd als berggebied.
Ondertitel II Steun aan collectieve investeringen