Art. 4 Richtlijn 96/62/EG, Vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels voor de lucht
1. Voor de verontreinigende stoffen van bijlage I dient de Commissie bij de Raad voorstellen in voor de vaststelling van de grenswaarden en, zo nodig, alarmdrempels; daarbij wordt het volgende tijdschema aangehouden:
- uiterlijk op 31 december 1996 voor de verontreinigende stoffen 1 tot en met 5;
- overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 92/72/EEG voor ozon;
- uiterlijk op 31 december 1997 voor de verontreinigende stoffen 7 en 8;
- zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 31 december 1999, voor de verontreinigende stoffen 9 tot en met 13.
Bij de vaststelling van de grenswaarden, en, zo nodig, de alarmdrempels, wordt bij wijze van voorbeeld rekening gehouden met de factoren in bijlage II.
Wat ozon betreft, wordt in die voorstellen rekening gehouden met de specifieke ontstaanswijze van die verontreinigende stof; daartoe kunnen de voorstellen richtwaarden en/of grenswaarden bevatten.
Bij overschrijding van een streefwaarde voor ozon stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van de maatregelen die zijn genomen om die waarde te bereiken. Op basis van die informatie beoordeelt de Commissie of aanvullende maatregelen op communautair niveau nodig zijn en dient zij, zo nodig, voorstellen in bij de Raad.
Voor andere verontreinigende stoffen dient de Commissie bij de Raad voorstellen in voor de vaststelling van grenswaarden en, zo nodig, alarmdrempels indien uit wetenschappelijke gegevens, rekening houdend met de criteria van bijlage III, blijkt dat de schadelijke gevolgen van deze verontreinigende stoffen voor de gezondheid van de mens en/of het milieu in zijn geheel in de Gemeenschap moeten worden voorkomen, verhinderd of verminderd.
2. De Commissie ziet erop toe dat de elementen waarop de in lid 1 bedoelde grenswaarden en alarmdrempels zijn gebaseerd, getoetst worden aan de nieuwste gegevens van het wetenschappelijke onderzoek op de betrokken epidemiologische gebieden en aan de meest recente vooruitgang in de metrologie.
3. Bij de vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels worden criteria en technieken bepaald voor:
a) de metingen die moeten worden verricht bij de uitvoering van de in lid 1 bedoelde wetgeving:
- de plaats van de bemonsteringspunten;
- het minimum aantal bemonsteringspunten;
- referentiemeettechnieken en bemonsteringstechnieken;
b) het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name modellen:
- de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
- de referentietechnieken voor de modellen.
Deze criteria en technieken worden voor elke verontreinigende stof vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van de agglomeraties of de niveaus van de verontreinigende stoffen in de bestudeerde zones.
4. Om rekening te houden met de werkelijke niveaus van een bepaalde verontreinigende stof bij de vaststelling van de grenswaarden en met de tijd die nodig is voor de invoering van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, kan de Raad ook een tijdelijke overschrijdingsmarge voor de grenswaarden vaststellen.
Deze marge wordt op een voor elke verontreinigende stof vast te stellen wijze verlaagd, zodat de grenswaarde uiterlijk aan het einde van de voor elke verontreinigende stof bij de vaststelling ervan te bepalen termijn wordt bereikt.
5. De Raad neemt de in lid 1 bedoelde regeling en de in de leden 3 en 4 bedoelde bepalingen aan overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.
6. Wanneer een Lid-Staat strengere maatregelen neemt dan de in lid 5 bedoelde, stelt hij de Commissie daarvan op de hoogte.
7. Wanneer een Lid-Staat voornemens is grenswaarden of alarmdrempels vast te stellen voor niet in bijlage I bedoelde verontreinigende stoffen die niet onder de Gemeenschapsvoorschriften betreffende de luchtkwaliteit in de Gemeenschap vallen, deelt hij dat tijdig aan de Commissie mee. De Commissie verstrekt tijdig een antwoord op de vraag of maatregelen op Gemeenschapsniveau aan de hand van de criteria in bijlage III nodig zijn.