Art. 14 Richtlijn 96/23/EG

Richtlijn 96/23/EG

1. Elke Lid-Staat wijst ten minste één nationaal referentielaboratorium aan waarbij elk residu slechts of elke groep residuen aan één nationaal referentielaboratorium mag worden toegewezen.

Tot en met 31 december 2000 kunnen de Lid-Staten echter een zelfde residu of groep residuen laten onderzoeken door verschillende nationale laboratoria die zij vóór de aanneming van deze richtlijn reeds hadden aangewezen.

De lijst van de betrokken laboratoria wordt opgesteld volgens de procedure van artikel 33.

Deze laboratoria worden met de volgende taken belast:

- coördinatie van de werkzaamheden van de nationale laboratoria waar de routineanalyses voor de opsporing van residuen worden verricht; het betreft met name het coördineren van de normen en de analysemethoden voor elk betrokken residu, respectievelijk voor elke betrokken groep residuen;

- verlening van bijstand aan de bevoegde autoriteit bij het opzetten van het plan voor het toezicht op de opsporing van residuen;

- organiseren van periodieke vergelijkende tests voor elk residu, respectievelijk elke groep residuen waarvoor zij zijn aangewezen;

- zorg voor de naleving, door de nationale laboratoria, van de vastgestelde grenzen;

- zorg voor de verspreiding van de door de communautaire referentielaboratoria verstrekte informatie;

- hun personeel de mogelijkheid bieden deel te nemen aan door de Commissie of de communautaire referentielaboratoria georganiseerde stages voor voortgezette opleiding.

2. De communautaire referentielaboratoria staan in bijlage V, hoofdstuk 1.

De bevoegdheden van die laboratoria en de voorwaarden voor de uitvoering van hun taken zijn omschreven in bijlage V, hoofdstuk 2.