Art. 3 Richtlijn 94/22/EG

Richtlijn 94/22/EG

1. De Lid-Staten stellen de nodige bepalingen vast om ervoor te zorgen dat de vergunningen worden verleend volgens een procedure waarbij alle belangstellende subjecten een aanvraag kunnen indienen overeenkomstig lid 2 of lid 3.

2. Deze procedure wordt ingeleid

a) hetzij op initiatief van de bevoegde instanties met een uitnodiging tot het indienen van aanvragen die ten minste 90 dagen vóór de uiterste datum voor het indienen van de aanvragen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt gepubliceerd,

b) hetzij, naar aanleiding van een aanvraag van een subject, door publikatie van een uitnodiging tot het indienen van aanvragen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, onverminderd artikel 2, lid 1. Andere belangstellende subjecten kunnen binnen een termijn van ten minste 90 dagen na die publikatie eveneens een aanvraag indienen.

De aankondigingen maken melding van het type vergunning, het geografische gebied of de geografische gebieden of gedeelten daarvan waarvoor een aanvraag is of kan worden ingediend, en de voorgenomen datum of tijdslimiet voor het verlenen van de vergunning.

Wanneer de voorkeur wordt gegeven aan aanvragen van subjecten die individuele natuurlijke personen of rechtspersonen zijn, dient zulks in de aankondiging te worden vermeld.

3. De Lid-Staten kunnen vergunningen verlenen zonder de procedure van lid 2 in te leiden wanneer het gebied waarvoor de vergunning wordt aangevraagd

a) permanent beschikbaar is, of

b) het voorwerp is geweest van een eerdere procedure overeenkomstig lid 2, die niet heeft geresulteerd in het verlenen van een vergunning, of

c) door een subject is opgegeven en niet automatisch onder a) valt.

Een Lid-Staat die dit lid wil toepassen, zorgt ervoor dat binnen drie maanden na de vaststelling van deze richtlijn of, in het geval van Lid-Staten die dergelijke procedures nog niet hebben ingevoerd, onverwijld in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend wordt gemaakt welke gebieden op haar grondgebied in het kader van dit lid beschikbaar zijn en waar uitvoerige informatie daarover kan worden verkregen. Iedere belangrijke wijziging van deze informatie wordt apart in het Publikatieblad bekendgemaakt. Aanvragen voor vergunningen op grond van dit lid kunnen echter pas in overweging worden genomen nadat het betrokken bericht in het Publikatieblad is verschenen.

4. Een Lid-Staat kan besluiten de bepalingen van lid 1 niet toe te passen indien en voor zover er geologische redenen of redenen in verband met de produktie zijn om de vergunning voor een gebied aan de houder van een vergunning voor een aangrenzend gebied toe te kennen. De betrokken Lid-Staat zorgt ervoor dat de houders van vergunningen voor eventuele andere aangrenzende gebieden in een dergelijk geval aanvragen kunnen indienen en daarvoor voldoende tijd krijgen.

5. Als verlening van een vergunning in de zin van lid 1 wordt niet beschouwd:

a) de verlening van een vergunning die uitsluitend geschiedt vanwege een wijziging in de naam of de eigendom van het subject dat houder is van een bestaande vergunning, vanwege een wijziging in de samenstelling van dat subject of vanwege een overdracht van een vergunning;

b) de verlening van een vergunning aan een subject dat houder is van een andere vergunning, wanneer het bezit van laatstgenoemde vergunning een recht op verlening van eerstgenoemde vergunning inhoudt;

c) het in het kader van een vergunning door de bevoegde instanties genomen besluit (ongeacht of een dergelijke vergunning voor de in artikel 14 vastgestelde datum is verleend) betreffende de aanvang, onderbreking, verlenging of stopzetting van de activiteiten of de verlenging van de vergunning zelf.

6. Onverminderd de inleiding van de procedure genoemd in lid 2, staat het de Lid-Staten vrij vergunningen te weigeren, mits zij ervoor zorgen dat niet tussen subjecten wordt gediscrimineerd.

Vorige artikelen

Volgende artikelen