Art. 31 Verordening (EEG) nr. 2847/93
1. Wanneer de Lid-Staten, met name na een controle of inspectie op grond van deze verordening, constateren dat de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd, zien zij erop toe dat passende maatregelen worden getroffen, daaronder begrepen de inleiding, overeenkomstig hun nationale wetgeving, van een administratieve of strafrechtelijke actie tegen de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersonen.
2. De krachtens lid 1 ingeleide actie moet er, overeenkomstig de relevante bepalingen van de nationale wetgeving, voor kunnen zorgen dat het economisch voordeel van de verantwoordelijke personen wordt tenietgedaan, of leiden tot resultaten die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding, zodat verdere overtredingen van hetzelfde type effectief worden ontraden.
3. De sancties voortvloeiend uit de in lid 2 bedoelde actie kunnen, naar gelang van de ernst van de overtreding, het volgende behelzen:
- boetes,
- inbeslagneming van verboden vistuig en verboden vangsten,
- conservatoir beslag op het vaartuig,
- tijdelijke stillegging van het vaartuig,
- schorsing van de vergunning,
- intrekking van de vergunning.
4. De bepalingen van dit artikel beletten de Lid-Staat van aanvoer of overlading niet de vervolging van een overtreding over te dragen aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van registratie, mits deze laatste hiermee instemt en het in lid 2 bedoelde resultaat daardoor gemakkelijker kan worden bereikt. De Lid-Staat van aanvoer of overlading stelt de Commissie in kennis van een dergelijke overdacht van rechtsvervolging.