Art. 29 Verordening (EEG) nr. 2847/93

Verordening (EEG) nr. 2847/93

1. De Commissie verifieert de toepassing van deze verordening door de Lid-Staten door het bestuderen van documenten en het afleggen van bezoeken ter plaatse. De Commissie kan besluiten of zij het noodzakelijk acht verificaties te verrichten zonder kennisgeving vooraf.

Met het oog op het afleggen van bezoeken ter plaatse, stelt de Commissie voor haar inspecteurs een schriftelijk mandaat op waarin hun bevoegdheden en het doel van hun missies worden aangegeven.

2. Wanneer dit door de Commissie noodzakelijk wordt geacht, kunnen haar inspecteurs aanwezig zijn bij de controles en inspecties die door de nationale controlediensten worden uitgevoerd. In het kader van deze missies legt de Commissie passende contacten met de Lid-Staten zodat waar mogelijk een wederzijds aanvaardbaar inspectieprogramma kan worden opgesteld.

a) De Lid-Staten verlenen de Commissie hun medewerking bij de uitvoering van haar taken. De Lid-Staten treffen met name de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de inspectiemissies geen ruchtbaarheid wordt gegeven waardoor de inspecties en controles kunnen worden geschaad.

Wanneer de Commissie of de door haar gemachtigde ambtenaren in de uitvoering van hun taak worden belemmerd, stellen de betrokken Lid-Staten de Commissie de middelen ter beschikking om haar actie tot een goed einde te brengen en bieden zij de inspecteurs de gelegenheid de specifieke controlewerkzaamheden te evalueren.

b) Indien de omstandigheden ter plaatse de in het kader van het oorspronkelijke inspectieprogramma beoogde inspecties en controles onmogelijk maken, wijzigen de inspecteurs van de Commissie, in overleg met en met toestemming van de bevoegde nationale controledienst, de oorspronkelijk geplande inspecties en controles.

c) In het kader van inspecties op zee of vanuit de lucht waarbij de bevoegde nationale diensten andere prioritaire taken hebben uit te voeren, met name op het gebied van de landsverdediging en de veiligheid op zee, behouden de autoriteiten van de Lid-Staat het recht om de inspecties waarbij de Commissie voornemens was aanwezig te zijn, uit te stellen of anders in te richten. In dergelijke gevallen verleent de betrokken Lid-Staat de Commissie zijn medewerking om andere regelingen te treffen.

In geval van inspecties op zee of vanuit de lucht is alleen de gezagvoerder van het vaartuig of het vliegtuig verantwoordelijk voor de inspectiewerkzaamheden, met inachtneming van de verplichting van zijn autoriteiten om deze verordening toe te passen. De door de Commissie gemachtigde inspecteurs die aan deze werkzaamheden deelnemen, voegen zich naar de door de gezagvoerder vastgestelde regels en procedures.

3. Wanneer zulks noodzakelijk blijkt en in het bijzonder wanneer uit de door de communautaire inspecteurs overeenkomstig lid 2 uitgevoerde missies blijkt dat er wellicht sprake is van onregelmatigheden bij de toepassing van deze verordening, kan de Commissie de Lid-Staten verzoeken haar in kennis te stellen van het gedetailleerde inspectie- en controleprogramma dat door de nationale bevoegde autoriteiten voor een specifieke periode en voor bepaalde soorten visserij en regio's is gepland of vastgesteld. Na ontvangst van deze kennisgeving verrichten de door de Commissie gemachtigde inspecteurs, wanneer de Commissie zulks noodzakelijk acht, onafhankelijke inspecties, ten einde zich ervan te vergewissen dat bedoeld programma door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat ten uitvoer wordt gelegd.

Wanneer de communautaire inspecteurs de toepassing van het programma controleren, blijven de functionarissen van de Lid-Staten te allen tijde verantwoordelijk voor de uitvoering van dat programma. De communautaire inspecteurs mogen niet op eigen initiatief in de controlebevoegdheden treden die aan de nationale functionarissen zijn verleend. De communautaire inspecteurs hebben geen toegang tot vaartuigen of lokalen, tenzij zij vergezeld zijn van functionarissen van een Lid-Staat.

Na die controle doet de Commissie aan de betrokken Lid-Staat een evaluatieverslag over het programma toekomen en beveelt zij zo nodig controlemaatregelen aan om de uitvoering van de controle door die Lid-Staat te verbeteren.

4. In het kader van inspectiemissies vanuit de lucht, op zee of aan wal mogen de gemachtigde inspecteurs geen controles uitoefenen op natuurlijke personen.

5. In het kader van de in de leden 2 en 3 genoemde bezoeken kunnen de door de Commissie gemachtigde inspecteurs, in aanwezigheid van de verantwoordelijke dienst, ter plaatse toegang krijgen tot de in bepaalde databanken opgeslagen informatie, hetzij in samengevoegde, hetzij in uitgesplitste vorm, en tevens alle voor de toepassing van deze verordening relevante documenten onderzoeken.

Indien de nationale bepalingen voorzien in geheimhouding van het onderzoek, kunnen deze inlichtingen slechts met toestemming van de bevoegde rechterlijke instantie worden meegedeeld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen