Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2456/93

Verordening (EEG) nr. 2456/93

Opslagplaatsen 1. De opslagplaatsen worden door de Lid-Staten zo aangewezen dat de doeltreffendheid van de interventiemaatregelen is gewaarborgd.

De installaties van deze opslagplaatsen moeten geschikt zijn

- voor de overname van vlees met been,

- voor het invriezen van al het vlees dat in ongewijzigde staat wordt opgeslagen, en

- om dit vlees gedurende ten minste drie maanden onder technisch acceptabele condities op te slaan.

2. Voor vlees met been dat bestemd is om te worden uitgebeend mogen alleen opslagplaatsen worden aangewezen waarvan de uitsnijderijen en koelinstallaties niet toebehoren aan het slachthuis en/of aan diegene aan wie is gegund, en die qua werking, directie en personeel geheel onafhankelijk zijn van het slachthuis en/of diegene aan wie is gegund.

Wanneer zich materiële moeilijkheden voordoen kunnen de Lid-Staten afwijken van het bepaalde in de eerste alinea, voor zover zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, lid 5, stringentere controles verrichten bij de aanvaarding; in dit geval mogen de interventiebureaus, onverminderd de eisen op veterinair gebied en voor maximaal 1 000 ton aangekocht vlees per week, plus 50 % van de boven deze hoeveelheid aangekochte hoeveelheid per week, al het aangekochte vlees of een deel ervan laten uitbenen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen