Art. 793 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Exemplaar nr. 3 van het enig document en de goederen die voor uitvoer zijn vrijgegeven worden overgelegd respectievelijk aangebracht bij het douanekantoor van uitgang.

2. Onder "douanekantoor van uitgang" wordt verstaan:

a) voor goederen die per spoor, per post, door de lucht of over zee worden uitgevoerd, het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen, in het kader van een enkele vervoersovereenkomst, door een spoorwegmaatschappij, de posterijen van een Lid-Staat, een lucht- of scheepvaartmaatschappij voor vervoer naar een derde land ten laste worden genomen;

b) voor goederen die door middel van een pijpleiding worden uitgevoerd en voor elektrische energie, het douanekantoor dat is aangewezen door de Lid-Staat waar de exporteur is gevestigd;

c) voor goederen die op enige andere wijze worden uitgevoerd, dan wel onder omstandigheden waarop het bepaalde onder a) en b) niet van toepassing is, het laatste douanekantoor voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

3. Het douanekantoor van uitgang verzekert zich ervan dat de aangebrachte goederen in overeenstemming zijn met de aangegeven goederen. Het ziet toe op en bevestigt het daadwerkelijk uitgaan van de goederen door aftekening van de achterzijde van exemplaar nr. 3. De aftekening bestaat uit een stempel met de naam van het douanekantoor en de datum. Exemplaar nr. 3 wordt aan degene die het heeft overgelegd, overhandigd opdat het aan de aangever kan worden teruggegeven.

Indien het uitgaan in gedeelten plaatsvindt, wordt het exemplaar slechts afgetekend voor het daadwerkelijk uitgevoerde deel van de goederen. Indien het uitgaan in gedeelten via verschillende douanekantoren plaatsvindt, waarmerkt het douanekantoor van uitgang waar exemplaar nr. 3 is overgelegd, op naar behoren gerechtvaardigd verzoek, een kopie van dat exemplaar nr. 3 voor de hoeveelheid van de betreffende goederen met het oog op het aanbrengen hiervan bij het andere betrokken kantoor van uitgang. Het origineel van exemplaar nr. 3 wordt dienovereenkomstig van een aantekening voorzien.

Indien een verrichting volledig op het grondgebied van een Lid-Staat plaatsvindt, kan deze bepalen dat exemplaar nr. 3 niet wordt afgetekend. Dit exemplaar wordt dan niet teruggegeven.

4. Indien het douanekantoor van uitgang een tekort vaststelt, vermeldt het dit op het aangeboden exemplaar van de aangifte en deelt het dit mede aan het douanekantoor van uitvoer.

Bij vaststelling van een overmaat staat het douanekantoor van uitgang niet toe dat de goederen die de overmaat vormen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten zolang de uitvoerformaliteiten niet zijn vervuld.

Indien een afwijking wordt geconstateerd in de aard van de goederen, staat het douanekantoor van uitgang niet toe dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten zolang de uitvoerformaliteiten niet zijn vervuld. Het douanekantoor van uitvoer wordt op de hoogte gesteld.

5. In de in lid 2, onder a), bedoelde gevallen tekent het douanekantoor van uitgang exemplaar nr. 3 van de aangifte ten uitvoer overeenkomstig lid 3 af nadat op het vervoerdocument in het rood de aanduiding "Export" alsmede zijn stempel is aangebracht. Wanneer, in het geval van regelmatige lijndiensten of rechtstreeks vervoer naar een derde land, de belanghebbenden in staat zijn de regelmatigheid van de verrichtingen op andere wijze te waarborgen, is het aanbrengen van de vermelding "Export" niet vereist.

6. Wanneer goederen met gebruikmaking van de regeling douanevervoer naar een derde land of een kantoor van uitgang worden vervoerd, tekent het douanekantoor van vertrek, overeenkomstig lid 3, exemplaar nr. 3 af en geeft dit aan de aangever terug na op alle exemplaren van het douanevervoerdocument, of op een ander document dat als zodanig dienst doet, in het rood "Export" te hebben vermeld. Het douanekantoor van uitgang houdt toezicht op het daadwerkelijk uitgaan van de goederen.

De eerste alinea is niet van toepassing in geval van ontheffing van de verplichting tot aanbrengen bij het douanekantoor van vertrek als bedoeld in artikel 419, leden 4 en 7, en artikel 434, leden 6 en 9.

7. Het douanekantoor van uitvoer kan de exporteur vragen het bewijs te leveren dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.