Art. 419 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Wanneer een vervoersbeweging onder de regeling communautair douanevervoer binnen de Gemeenschap begint en dient te eindigen, wordt de vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek overgelegd.

2. Het kantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 van de vrachtbrief CIM op duidelijk zichtbare wijze:

- het teken "T 1" aan, indien de goederen met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd;

- het teken "T 2", "T 2 ES" of "T 2 PT" aan, al naar gelang van het geval, indien de goederen met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 311, onder b), en artikel 165 van het Wetboek.

Het teken "T 2" of "T 2 ES" of "T 2 PT" wordt door middel van het stempel van het kantoor van vertrek gewaarmerkt.

3. Alle exemplaren van de vrachtbrief CIM worden aan de belanghebbende teruggegeven.

4. De in artikel 311, onder a), bedoelde goederen worden, op de door elke Lid-Staat vast te stellen wijze, voor het gehele traject tussen de in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen stations van vertrek en van bestemming onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst zonder dat de voor deze goederen opgestelde vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek behoeft te worden overgelegd en zonder dat de in artikel 417 bedoelde etiketten behoeven te worden aangebracht. Deze ontheffing van de verplichting tot overlegging geldt evenwel niet voor vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op goederen waarop de artikelen 463 tot en met 470 van toepassing zijn.

5. Voor de in lid 2 bedoelde goederen vervult het douanekantoor waaronder het station van bestemming ressorteert, de functie van kantoor van bestemming. Indien de goederen echter in een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, vervult het kantoor waaronder dit station ressorteert de functie van kantoor van bestemming.

Bij het kantoor van bestemming behoeft ten aanzien van de in artikel 311, onder a), bedoelde goederen geen enkele formaliteit te worden vervuld.

6. Ten behoeve van de in artikel 415 bedoelde controle houdt de spoorwegmaatschappij alle vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op het in lid 4 bedoelde douanevervoer in het land van bestemming ter beschikking van de douaneautoriteiten, in voorkomend geval op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteiten is vastgesteld.

7. Wanneer communautaire goederen per spoor worden vervoerd van een plaats in een Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, wordt de regeling intern communautair douanevervoer toegepast. In dit geval zijn de leden 4, 5, tweede alinea, en 6 van overeenkomstige toepassing.