Art. 349 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De identificatie van de goederen wordt in het algemeen verzekerd door middel van verzegeling.

2. Verzegeling geschiedt:

a) per laadruimte, wanneer het vervoermiddel overeenkomstig andere voorschriften is goedgekeurd of door het kantoor van vertrek geschikt is bevonden;

b) per collo, in de overige gevallen.

3. Als geschikt voor verzegeling per laadruimte kunnen worden aangemerkt vervoermiddelen:

a) die op eenvoudige en doeltreffende wijze kunnen worden verzegeld;

b) die zodanig zijn gebouwd dat geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd zonder braak die zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling;

c) die geen geheime ruimten bevatten waarin goederen kunnen worden verborgen, en

d) waarvan de laadruimten gemakkelijk toegankelijk zijn voor de controle door de douaneautoriteiten.

4. Het kantoor van vertrek kan van verzegeling afzien wanneer het, rekening houdend met eventuele andere identificatiemaatregelen, mogelijk is aan de hand van de omschrijving van de goederen in het document T 1 of de bijgevoegde stukken, de goederen te identificeren.