Art. 313 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Met uitzondering van de in lid 2 genoemde goederen, worden alle van een plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats binnen dat gebied vervoerde goederen geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij het communautaire karakter niet bezitten.

2. De navolgende goederen worden niet geacht communautaire goederen te zijn, tenzij het communautaire karakter, overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 323, wordt aangetoond:

a) goederen die onder geleide van één van de in artikel 163, lid 2, onder b) tot en met e), van het Wetboek bedoelde documenten worden vervoerd;

b) goederen die over het grondgebied van een derde land van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd;

c) goederen die

- door de lucht worden vervoerd vanaf een luchthaven in een derde land naar een luchthaven binnen het douanegebied van de Gemeenschap;

- over zee worden vervoerd vanaf een haven in een derde land naar een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap, of

- over zee worden vervoerd vanuit een vrije zone gelegen in een haven binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar zij zijn geladen of overgeladen met als bestemming een andere haven gelegen in het genoemde douanegebied, tenzij uit een aantekening van de douaneautoriteiten op de scheepsdocumenten blijkt dat het schip uit een plaats in die haven komt die geen deel uitmaakt van de vrije zone;

d) goederen die deel uitmaken van een zending die vanuit een postkantoor in het douanegebied van de Gemeenschap is verzonden, wanneer op de verpakking of op de begeleidende documenten het etiket is aangebracht dat overeenstemt met het model in bijlage 42. De douaneautoriteiten in de Lid-Staat van verzending moeten een dergelijk etiket op de verpakking en de begeleidende documenten aanbrengen of doen aanbrengen wanneer de te verzenden goederen niet-communautaire goederen zijn;

e) goederen die over zee van de ene naar de andere haven in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, aan boord van een vaartuig:

- dat uit een derde land komt en dat goederen vervoert die in een derde land zijn geladen, en dat een of meer havens in de Gemeenschap heeft aangedaan, of

- dat naar een derde land gaat en dat goederen vervoert die in een haven van de Gemeenschap zijn geladen en die voor een derde land zijn bestemd, en dat een of meer havens in de Gemeenschap heeft aangedaan, of

- dat tussen de haven van vertrek in de Gemeenschap en de haven van bestemming in de Gemeenschap een of meer havens in derde landen heeft aangedaan, of

- dat rechtstreeks aankomt in een vrije zone, of

- dat een haven heeft aangedaan waarin een vrije zone is gelegen, tenzij uit een aantekening van de douaneautoriteiten op de scheepsdocumenten blijkt dat het schip uit een plaats in deze haven komt die geen deel uitmaakt van de vrije zone.

3. a) Onverminderd artikel 170 van het Wetboek brengt de kapitein van het schip of zijn vertegenwoordiger de douaneautoriteiten van de haven waar de goederen worden gelost op de hoogte van de aankomst van het schip en deelt hij mede uit welke haven het schip met zijn oorspronkelijke lading is vertrokken en welke havens het heeft aangedaan of had moeten aandoen alvorens de haven van bestemming in de Gemeenschap te bereiken. Op verzoek staaft de kapitein de verstrekte inlichtingen, bij voorbeeld door overlegging van het logboek.

Indien de verstrekte inlichtingen niet voldoen aan de eisen van de douaneautoriteiten van de haven van bestemming, worden alle goederen die zich op het schip bevinden geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij het communautaire karakter van deze goederen overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 323 kan worden aangetoond.

b) Ter voldoening aan de onder a) genoemde verplichtingen kan de kapitein van het schip of zijn vertegenwoordiger de douaneautoriteiten van de havens in de Gemeenschap waar de goederen worden gelost een kopie van een door de douaneautoriteiten van de haven van vertrek in het douanegebied van de Gemeenschap gewaarmerkt inlichtingenblad overleggen, waarin de uiteindelijke haven van bestemming en alle andere havens die het schip vermoedelijk zal aandoen, zijn vermeld.

De overlegging van een inlichtingenblad is verplicht indien het schip goederen vervoert waarop artikel 91, lid 1, van het Wetboek van toepassing is.

c) De douaneautoriteiten van de haven van bestemming kunnen afzien van de toepassing van het bepaalde onder a) en b) ten aanzien van schepen:

- waarvan, met name vanwege de aard en het geografische gebied van de zeeverbindingen die zij onderhouden, vaststaat dat zij uitsluitend tussen havens in de Gemeenschap varen en geen havens in derde landen aandoen,

- die worden gebruikt door scheepvaartmaatschappijen waaraan vergunning is verleend om de in artikel 448, lid 11, omschreven vereenvoudigde procedure toe te passen.