Art. 288 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De Lid-Staten kunnen bepalen dat een handels- of administratief document of enige andere informatiedrager wordt gebruikt in plaats van het enig document, wanneer de uitvoer in zijn geheel op het grondgebied van een zelfde Lid-Staat wordt afgewikkeld of wanneer in deze mogelijkheid is voorzien in een overeenkomst die de administraties van de betrokken Lid-Staten hebben gesloten.

2. De in lid 1 bedoelde documenten of informatiedragers dienen ten minste de voor de identificatie van de goederen benodigde gegevens te bevatten alsmede een van de in artikel 280, lid 3, genoemde aantekeningen en dienen vergezeld te gaan van een verzoek tot uitvoer.

Wanneer de omstandigheden dit toelaten kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat dit verzoek wordt vervangen door een algemene aanvraag die betrekking heeft op de uitvoerverrichtingen gedurende een bepaalde periode. Op de betreffende documenten of informatiedrager dient te worden verwezen naar de op deze algemene aanvraag verleende vergunning.

3. Met het handels- of administratief document kan op dezelfde wijze als met exemplaar nr. 3 van het enig document worden aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. Worden andere informatiedragers gebruikt, dan wordt de wijze van visering voor uitgaan in voorkomend geval vastgesteld in het kader van de overeenkomst tussen de administraties van de betrokken Lid-Staten.