Art. 39 Verordening (EEG) nr. 2309/93
1. De toezichthoudende instanties hebben tot taak om namens de Gemeenschap na te gaan of de houder van de vergunning voor het in de handel brengen, dan wel de fabrikant of de importeur die geneesmiddelen uit derde landen invoert, aan de voorschriften van hoofdstuk V van Richtlijn 81/851/EEG voldoet en om overeenkomstig hoofdstuk VI van die richtlijn op die personen toezicht te houden.
2. Indien de Commissie overeenkomstig artikel 39, lid 2, van Richtlijn 81/851/EEG op de hoogte wordt gebracht van ernstige meningsverschillen tussen de Lid-Staten over de vraag of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen dan wel een in de Gemeenschap gevestigde fabrikant of importeur aan de in lid 1 bedoelde voorschriften voldoet, kan zij, na overleg met de betrokken Lid-Staten, een inspecteur van de toezichthoudende instantie verzoeken een nieuwe inspectie uit te voeren bij de houder van een vergunning voor het in de handel brengen, de fabrikant of de importeur; deze inspecteur kan zich laten vergezellen door een inspecteur uit een Lid-Staat die geen partij is bij het geschil en/of door een door het Comité aangewezen rapporteur of deskundige.
3. Behoudens eventuele regelingen tussen de Gemeenschap en derde landen in de zin van artikel 38, tweede alinea, kan de Commissie, hetzij na ontvangst van een met redenen omkleed verzoek van een Lid-Staat of van het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, hetzij op eigen initiatief, een in een derde land gevestigde fabrikant verzoeken een inspectie toe te staan. Die inspectie wordt uitgevoerd door ter zake vakbekwame inspecteurs uit de Lid-Staten, die zich zo nodig door een door het Comité aangewezen rapporteur of deskundige laten vergezellen. Het verslag van de inspecteurs wordt ter beschikking gesteld van de Commissie, de Lid-Staten en het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.