Art. 33 Verordening (EEG) nr. 2309/93
Onverminderd andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht wordt de in artikel 3 bedoelde vergunning geweigerd indien na verifiëring van de krachtens artikel 28 ingediende gegevens en bescheiden blijkt dat:
1. het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik schadelijk is onder de op het tijdstip van de aanvraag van een vergunning aangegeven gebruiksomstandigheden, dat het niet werkzaam is of dat de aanvrager onvoldoende bewijs heeft geleverd van de werkzaamheid bij de diersoort voor de behandeling waarvan het is bestemd, dan wel dat de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling niet met de opgave in overeenstemming zijn;
2. de door de aanvrager aanbevolen wachttijd niet lang genoeg is om te waarborgen dat levensmiddelen die uit de behandelde dieren zijn verkregen, vrij zijn van residuen die een risico voor de gezondheid van de consument kunnen inhouden, of dat deze wachttijd onvoldoende gestaafd is;
3. het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik te koop wordt aangeboden voor een krachtens andere communautaire bepalingen verboden gebruik.
De vergunning wordt eveneens geweigerd, indien de krachtens artikel 28 door de aanvrager ingediende gegevens en bescheiden onjuist zijn of indien het voorstel van de aanvrager voor het etiket en de bijsluiter niet in overeenstemming is met hoofdstuk VII van Richtlijn 81/851/EEG.