Art. 4 Verordening (EEG) nr. 793/93, Verstrekking van gegevens over in kleinere hoeveelheden geproduceerde of ingevoerde bestaande stoffen

Verordening (EEG) nr. 793/93

1. Onverminderd artikel 6, lid 1, dient elke fabrikant of importeur die in de drie jaar vóór de vaststelling van deze verordening en/of in het jaar daarna ten minste eenmaal een bestaande stof als zodanig of in een preparaat in een hoeveelheid van meer dan 10 ton, maar niet meer dan 1 000 ton per jaar heeft geproduceerd of ingevoerd, de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 6, leden 2 en 3, binnen een periode van 24 maanden die ingaat zodra de verordening drie jaar van kracht is, de onderstaande in bijlage IV gespecificeerde informatie te verstrekken:

a) de naam van de stof en het nummer in de EINECS;

b) de geproduceerde of ingevoerde hoeveelheid;

c) de indeling van de stof overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG of de voorlopige indeling overeenkomstig deze richtlijn, met inbegrip van de gevarencategorie, het gevarensymbool, de standaardzinnen met betrekking tot de risico's en de standaardzinnen met betrekking tot de veiligheid;

d) informatie over de redelijkerwijs te verwachten toepassingen van de stof.

2. De Commissie bepaalt in overleg met de Lid-Staten in welke gevallen het noodzakelijk is de fabrikanten en importeurs van de stoffen waarvan uit hoofde van lid 1 kennisgeving is gedaan, te verzoeken om in het kader van bijlage III aanvullende informatie te verstrekken over de fysisch-chemische eigenschappen, de toxiciteit en de ecotoxiciteit van de stoffen, over de blootstelling, alsmede over alle andere aspecten die voor de risicobeoordeling van de betrokken stoffen relevant zijn. Onverminderd artikel 12, lid 2, zijn de fabrikant en de importeur evenwel niet verplicht daartoe aanvullende proeven op dieren te verrichten.

De specifieke informatie die moet worden verstrekt en de procedure die bij het verstrekken van deze gegevens moet worden gevolgd, worden overeenkomstig de procedure van artikel 15 bepaald.