Art. 25 Richtlijn 93/22/EEG

Richtlijn 93/22/EEG

1. De Lid-Staten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele beleggingsondernemingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de beleggingsonderneming te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

2. Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende Lid-Staten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld in deze richtlijn en in de andere richtlijnen die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

3. De Lid-Staten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de medegedeelde gegevens tenminste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde.

4. De bevoegde autoriteiten die uit hoofde van de leden 1 of 2 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van hun taken:

- om te onderzoeken of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen en ter vergemakkelijking van het toezicht, op individuele of op geconsolideerde basis, op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van de in Richtlijn 93/6/EEG gestelde vereisten inzake kapitaaltoereikendheid, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle, of

- voor het opleggen van sancties, of

- in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteiten, of

- bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 26.

5. De leden 1 en 4 vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens

a) binnen een zelfde Lid-Staat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn, of

b) binnen een zelfde Lid-Staat of tussen Lid-Staten, tussen de bevoegde autoriteiten en

- de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de kredietinstellingen, de andere financiële instellingen en de verzekeringsondernemingen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten,

- de instanties die belast zijn met de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en andere soortgelijke procedures, of

- de met de wettelijke controle van de jaarrekening van beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen,

voor de vervulling van hun toezichthoudende taak, en vormen evenmin een belemmering voor de toezending aan de organen die belast zijn met het beheer van garantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

6. De bepalingen van dit artikel houden evenmin een belemmering in voor een bevoegde autoriteit om aan de centrale banken die geen individuele controle op kredietinstellingen of beleggingsondernemingen uitoefenen, de gegevens toe te zenden waarover zij als monetaire autoriteit dienen te beschikken. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

7. De bepalingen van dit artikel vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten om de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op een van de markten van hun Lid-Staat, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in lid 1 genoemde beroepsgeheim. De Lid-Staten zien er evenwel op toe dat de uit hoofde van lid 2 ontvangen gegevens in het in dit lid bedoelde geval niet openbaar kunnen worden gemaakt, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

8. Bovendien mogen de Lid-Staten, niettegenstaande de leden 1 en 4, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsondernemingen alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

De Lid-Staten bepalen echter dat de gegevens die op grond van de leden 2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van de in artikel 24 bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van dit lid mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt of van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

9. Indien een Lid-Staat op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn voorschrijft dat tussen verschillende autoriteiten gegevens worden uitgewisseld met het oog op de controle op de naleving van de wetten inzake prudentieel toezicht en inzake opzet, werking en gedrag van handelsvennootschappen en van de voorschriften betreffende de financiële markten, mag die Lid-Staat in afwachting van een cooerdinatie van alle bepalingen betreffende het uitwisselen van gegevens tussen autoriteiten voor de gehele financiële sector, en in ieder geval tot uiterlijk 1 juli 1996, het doorgeven van dergelijke gegevens blijven toestaan.

De Lid-Staten zien er evenwel op toe dat gegevens die afkomstig zijn van een andere Lid-Staat, onder de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden niet kunnen worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt, en alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten ingestemd hebben.

De Raad brengt op basis van een voorstel van de Commissie de in de eerste alinea bedoelde cooerdinatie tot stand. Hij neemt er akte van dat de Commissie verklaart hem uiterlijk op 31 juli 1993 daartoe strekkende voorstellen te zullen doen. De Raad zal hierover zo spoedig mogelijk een besluit nemen, waarbij het in de bedoeling ligt dat de in deze voorstellen vervatte regelgeving van kracht wordt op de datum van toepassing van deze richtlijn.

Uitspraken die dit artikel aanhalen