Art. 10 Richtlijn 93/15/EEG

Richtlijn 93/15/EEG

1. Munitie mag slechts van een Lid-Staat naar een andere worden overgebracht indien de in de volgende leden omschreven procedure wordt gevolgd. Deze bepalingen gelden ook voor overbrenging van munitie door middel van postorderverkoop.

2. Wat de overbrenging van munitie naar een andere Lid-Staat betreft, doet de belanghebbende voor iedere verzending de Lid-Staat waar de munitie zich bevindt, mededeling van:

- naam en adres van de verkoper of overdrager en van de koper of verwerver of, in voorkomend geval, van de eigenaar,

- het adres waarnaar de munitie zal worden verzonden of vervoerd,

- de hoeveelheid munitie die van de zending of het vervoer deel uitmaakt,

- de identificatiegegevens betreffende deze munitie, en bovendien de vermelding dat zij is gecontroleerd volgens de bepalingen van het Verdrag van 1 juli 1969 inzake wederzijdse erkenning van keurmerken van handvuurwapens,

- de wijze van overbrenging,

- de datum van vertrek en de vermoedelijke datum van aankomst.

Bij overbrenging tussen wapenhandelaars behoeven de gegevens bedoeld in de laatste twee streepjes niet te worden meegedeeld. De Lid-Staat onderzoekt onder welke omstandigheiden de overbrenging zal geschieden, met name met het oog op de beveiligingseisen. Indien de Lid-Staat deze overbrenging toestaat, verleent hij daarvoor een vergunning waarin alle in de eerste alinea genoemde gegevens zijn vermeld. Dit document dient de munitie tot aan de bestemming te vergezellen en dient op elk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten te worden overgelegd.

3. Iedere Lid-Staat kan aan wapenhandelaars het recht toekennen om, zonder voorafgaande vergunning in de zin van lid 2, munitie van zijn grondgebied naar een in een andere Lid-Staat gevestigde wapenhandelaar over te brengen. Hij verleent daartoe een machtiging voor drie jaar, die te allen tijde bij een gemotiveerd besluit kan worden geschorst of ingetrokken. De munitie moet tot de bestemming vergezeld blijven van een document waarin die machtiging wordt vermeld; dat document moet op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten worden voorgelegd.

Alvorens de overbrenging plaatsvindt, delen de wapenhandelaars aan de autoriteiten van de Lid-Staat van waaruit de overbrenging zal geschieden, alle in de eerste alinea van lid 2 vermelde gegevens mee.

4. Iedere Lid-Staat verstrekt de andere Lid-Staten een lijst van munitie waarvoor de vergunning om deze naar zijn grondgebied over te brengen, zonder zijn voorafgaande toestemming mag worden verleend.

Deze lijsten met munitie worden meegedeeld aan wapenhandelaars die overeenkomstig lid 3 een machtiging hebben verkregen om munitie zonder voorafgaande toestemming over te brengen.

5. Iedere Lid-Staat zendt alle nuttige gegevens waarover hij betreffende definitieve overbrengingen van munitie beschikt, toe aan de Lid-Staat naar het grondgebied waarvan de overbrenging geschiedt.

De gegevens die de Lid-Staten krachtens de procedure van dit artikel ontvangen, worden, uiterlijk tijdens de overbrenging, aan de Lid-Staat van bestemming en, in voorkomend geval, uiterlijk tijdens de overbrenging aan de Lid-Staten van doorvoer meegedeeld.