Art. 4 Verordening (EEG) nr. 3600/92

Verordening (EEG) nr. 3600/92

1. Producenten die een in bijlage I bij deze verordening genoemde werkzame stof, of zouten, esters of aminen daarvan, in bijlage I bij de richtlijn wensen te zien opgenomen, geven de Commissie daarvan kennis binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Onverminderd het bepaalde in de eerste alinea rust op producenten van een in bijlage I genoemde werkzame stof, wanneer zij die stof niet langer in bijlage I bij de richtlijn opgenomen wensen te zien, de verplichting om de Commissie daarvan binnen dezelfde termijn mededeling te doen.

2. De kennisgeving geschiedt op een formulier volgens het in bijlage II bij deze verordening opgenomen model, dat ingevuld en met vermelding van de in punt 5 van het model opgenomen verbintenis aan de Commissie, Directoraat-generaal VI, Wetstraat 200, B-1049 Brussel wordt toegezonden.

3. Producenten die de in lid 1 bedoelde kennisgeving van een bepaalde werkzame stof niet op tijd hebben ingediend, hebben de mogelijkheid om aan het in artikel 1 bedoelde programma deel te nemen doch slechts collectief met andere kennisgevers van die werkzame stof of om, in het in lid 4 genoemde geval, de Lid-Staat die een kennisgeving heeft verricht, bij te staan, waartoe de instemming van de oorspronkelijke kennisgevers moet zijn verkregen.

4. Wanneer, voor een bepaalde werkzame stof, van geen enkele producent een kennisgeving overeenkomstig lid 2 is ontvangen, deelt de Commissie dit via het Comité aan de Lid-Staten mede. De Lid-Staten dienen met gebruikmaking van een formulier volgens het in bijlage II bij deze verordening opgenomen model te kennen te geven dat zij de werkzame stof in bijlage I bij de richtlijn wensen te zien opgenomen. De kennisgeving dient zo snel mogelijk, en uiterlijk zes maanden na de datum waarop de Lid-Staten daarvan door de Commissie in kennis zijn gesteld, aan haar te worden toegezonden. De Lid-Staten die de kennisgeving hebben gedaan, dienen de verplichtingen van de producenten na te komen, zoals deze in de artikelen 5 tot en met 8 zijn vastgelegd.

5. Wanneer na afwikkeling van bovenstaande procedure producenten noch Lid-Staten de wens tot opneming van een bepaalde werkzame stof in bijlage I bij de richtlijn hebben laten blijken, kan overeenkomstig artikel 8, lid 2, laatste alinea, van de richtlijn tot niet-opneming van die werkzame stof worden besloten.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen