Art. 95 Verordening (EEG) nr. 2913/92
1. Elke persoon die voldoet aan de in lid 2 gestelde voorwaarden kan van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar hij gevestigd is, met inachtneming van de in lid 3 vervatte beperkingen, ontheffing van zekerheidstelling verkrijgen voor het door hem te verrichten externe communautair douanevervoer, ongeacht de Lid-Staat van vertrek en de Lid-Staten waarvan het grondgebied voor deze verrichtingen wordt gebruikt.
2. De in lid 1 bedoelde ontheffing wordt slechts verleend aan personen:
a) die gevestigd zijn in de Lid-Staat waar de ontheffing van zekerheidstelling wordt verleend,
b) die de regeling communautair douanevervoer op niet-incidentele wijze gebruiken,
c) die financieel in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen,
d) die geen ernstige overtreding hebben begaan van de douane- en belastingwetgeving, en
e) die, volgens een nader vast te stellen model, een verbintenis zijn aangegaan om op het eerste schriftelijke verzoek van de douaneautoriteiten de bedragen te betalen die worden gevorderd uit hoofde van het door hen verrichte communautaire douanevervoer.
3. De ontheffing van zekerheidstelling die wordt verleend overeenkomstig de leden 1 en 2 is niet van toepassing op communautair douanevervoer met betrekking tot goederen:
a) met een totale waarde die een volgens de procedure van het Comité vastgesteld bedrag overschrijdt, of
b) die verhoogde risico's met zich meebrengen, gezien de hoogte van de rechten bij invoer en andere heffingen waaraan deze goederen in een of meer Lid-Staten onderworpen zijn.
4. Aan elke persoon die ontheffing van zekerheidstelling heeft verkregen, wordt door de autoriteiten die de ontheffing hebben verleend, in een of meer exemplaren een certificaat inzake ontheffing van zekerheidstelling verstrekt.