Art. 206 Verordening (EEG) nr. 2913/92
1. In afwijking van de artikelen 202 en 204, lid 1, onder a), wordt ten aanzien van bepaalde goederen geen douaneschuld bij invoer geacht te ontstaan wanneer de belanghebbende het bewijs levert dat de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit:
- hetzij de artikelen 38 tot en met 41 of artikel 177, tweede streepje,
- hetzij de tijdelijke opslag van de betrokken goederen,
- hetzij het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst,
het gevolg is van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van bedoelde goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht of wel na toestemming van de douaneautoriteiten.
In de zin van dit lid zijn goederen onherstelbaar verloren wanneer zij voor een ieder onbruikbaar zijn geworden.
2. Een douaneschuld bij invoer wordt evenmin geacht te ontstaan ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, wanneer deze goederen met toestemming van de douaneautoriteiten worden uitgevoerd of wederuitgevoerd.