Art. 16 Verordening (EEG) nr. 2913/92

Verordening (EEG) nr. 2913/92

De betrokken personen dienen de in artikel 14 bedoelde bescheiden, ongeacht de dragers waarop die bescheiden zich bevinden, met het oog op de douanecontrole, gedurende de in de geldende bepalingen vastgestelde termijn en ten minste gedurende drie kalenderjaren te bewaren. Deze termijn vangt aan:

a) voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in andere dan de onder b) bedoelde gevallen of voor goederen die ten uitvoer zijn aangegeven, aan het einde van het jaar waarin de aangiften voor het vrije verkeer of de aangiften ten uitvoer zijn aanvaard;

b) voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van het gebruik ervan voor bijzondere doeleinden, aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen wordt opgeheven;

c) voor goederen die onder een andere douaneregeling zijn geplaatst, aan het einde van het jaar waarin de desbetreffende douaneregeling is beëindigd;

d) voor goederen die in een vrije zone of in een vrij entrepot zijn binnengebracht, aan het einde van het jaar waarin zij de betrokken onderneming verlaten.

Onverminderd het bepaalde in artikel 221, lid 3, tweede volzin, worden de bescheiden, indien uit een controle van de douaneautoriteiten in verband met een douaneschuld blijkt dat de desbetreffende boeking moet worden herzien, na afloop van de in de eerste alinea bedoelde termijn nog zolang bewaard als voor de herziening en de controle nodig is.