Art. 6 Verordening (EEG) nr. 2409/92
1. Onder naleving van de procedures van dit artikel mag een betrokken Lid-Staat te allen tijde besluiten:
a) tot intrekking van een basistarief dat, gezien de hele tariefstructuur voor de betrokken route en andere relevante factoren, waaronder de concurrentie op de markt, ten nadele van de gebruikers onredelijk hoog is in verhouding tot de volledig toegerekende relevante kosten van de luchtvaartmaatschappij op lange termijn, met inbegrip van een bevredigende opbrengst van de investeringen;
b) op niet-discriminerende wijze verdere tariefverlagingen op een markt - voor een route of een groep van routes - te beëindigen wanneer de marktmechanismen hebben geleid tot een voortdurende nederwaartse ontwikkeling van passagierstarieven die aanzienlijk afwijkt van de gewone seizoengebonden prijsvariaties, met als gevolg algemene verliezen bij alle betrokken luchtvaartmaatschappijen voor de betrokken luchtdiensten, rekening houdend met de volledig toegerekende relevante kosten van de luchtvaartmaatschappijen.
2. Een overeenkomstig lid 1 genomen besluit moet met redenen worden omkleed en ter kennis worden gebracht van de Commissie en van alle andere geinvolveerde Lid-Staten, alsmede van de betrokken luchtvaartmaatschappij(en).
3. Indien geen andere betrokken Lid-Staat of de Commissie binnen 14 dagen na ontvangst van de kennisgeving een aan de hand van lid 1 gemotiveerd bezwaar heeft ingediend, kan de Lid-Staat die overeenkomstig lid 1 een besluit heeft genomen, de betrokken luchtvaartmaatschappij(en) gelasten het basistarief in te trekken, c.q. af te zien van verdere tariefverlagingen.
4. In geval van meningsverschil kan een geinvolveerde Lid-Staat om overleg verzoeken ten einde de situatie te bezien. Het overleg vindt plaats binnen 14 dagen na indiening van het verzoek, tenzij anders wordt overeengekomen.