Art. 3 Richtlijn 92/118/EEG
De Lid-Staten zien erop toe dat:
- het handelsverkeer en de invoer van de in artikel 1 bedoelde produkten van dierlijke oorsprong alsmede van niet voor menselijke consumptie bestemde gelatines niet worden verboden of beperkt om andere veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen dan die welke voortvloeien uit de toepassing van deze richtlijn of de communautaire wetgeving, en met name de eventueel getroffen vrijwaringsmaatregelen,
- elk nieuw produkt van dierlijke oorsprong waarvoor na de in artikel 20 bedoelde datum een vergunning voor het in de handel brengen in een Lid-Staat wordt afgegeven, pas in het handelsverkeer gebracht of ingevoerd mag worden nadat hierover overeenkomstig artikel 15, eerste alinea, een besluit is genomen, na evaluatie, eventueel na advies van het bij Besluit 81/651/EEG (9) ingestelde Wetenschappelijk Veterinair Comité, van het reële gevaar van verspreiding van ernstige besmettelijke ziekten, ingevolge het eventuele verkeer van het produkt, niet alleen onder de diersoort waarvan het produkt afkomstig is maar ook onder andere diersoorten die drager van de ziekte zouden kunnen zijn of die een ziektehaard zouden kunnen worden,
- de andere in artikel 2, onder b), van Richtlijn 77/99/EEG bedoelde produkten van dierlijke oorsprong slechts in het handelsverkeer gebracht of ingevoerd mogen worden, indien zij voldoen aan de eisen van die richtlijn en aan de relevante eisen van de onderhavige richtlijn.