Art. 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat de officiële dierenarts, wanneer er zich op een bedrijf van aviaire influenza verdacht pluimvee bevindt, er onverwijld voor zorgt dat een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of de ziekte al dan niet aanwezig is, waarbij hij er met name voor moet zorgen dat de nodige monsters voor laboratoriumonderzoek worden genomen.

2. Zodra van het vermoeden van besmetting aangifte is gedaan, laat de bevoegde autoriteit het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en eist zij met name dat:

a) voor alle categoriëen pluimvee op het bedrijf per categorie wordt opgetekend hoeveel dieren zijn gestorven, hoeveel dieren klinische symptomen vertonen en hoeveel dieren geen symptomen vertonen; deze optekening moet worden bijgewerkt om rekening te houden met het pluimvee dat in de periode dat het vermoeden bestaat, geboren dan wel gestorven is; deze gegevens moeten worden bijgewerkt en desgevraagd overgelegd en kunnen bij elk inspectiebezoek worden gecontroleerd;

b) alle pluimvee op het bedrijf wordt geïsoleerd in de lokalen waarin het is gehuisvest of op een andere daarvoor geschikte plaats, en geen contact heeft met andere vogels;

c) geen pluimvee op het bedrijf wordt binnengebracht of van het bedrijf wordt afgevoerd;

d) behoudens toestemming van de officiële dierenarts,

- elke verplaatsing van personen, van andere dieren en van voertuigen van en naar het bedrijf wordt verboden,

- het afvoeren uit het bedrijf van vlees of kadavers van pluimvee, van diervoeders, materiaal, afval, uitwerpselen, stromest of andere objecten waardoor het virus van aviaire influenza kan worden overgedragen, wordt verboden;

e) geen eieren van het bedrijf worden afgevoerd, met uitzondering van eieren die rechtstreeks worden gezonden naar een erkende inrichting voor de vervaardiging en/of de behandeling van eiprodukten overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 89/437/EEG (7), en die vervoerd worden overeenkomstig een door de bevoegde instantie verleende vergunning. Deze vergunning moet voldoen aan de voorschriften van bijlage I;

f) wordt gezorgd voor de nodige ontsmettingsvoorzieningen bij de in- en uitgangen van de gebouwen waar het pluimvee is gehuisvest, en van het bedrijf zelf;

g) een epizooetiologisch onderzoek wordt verricht overeenkomstig artikel 7.

3. Totdat de in lid 2 genoemde officiële maatregelen zijn vastgesteld, doet de eigenaar of houder van pluimvee waarbij de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, alles wat redelijkerwijze mogelijk is om aan het bepaalde in lid 2, met uitzondering van punt g), te voldoen.

4. De bevoegde autoriteit kan alle in lid 2 genoemde maatregelen ook doen gelden voor andere bedrijven, wanneer in verband met de ligging ervan, de plaatselijke situatie of de contacten met het bedrijf waar de ziekte vermoedelijk aanwezig is, verontreiniging moet worden gevreesd.

5. De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen worden pas opgeheven wanneer de officiële dierenarts de vermoedelijke aanwezigheid van aviaire influenza heeft weerlegd.

Uitspraken die dit artikel aanhalen