Art. 3 Richtlijn 92/25/EEG

Richtlijn 92/25/EEG

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat de groothandel in geneesmiddelen wordt onderworpen aan het vereiste van het bezit van een vergunning voor het uitoefenen van de activiteit van groothandelaar in geneesmiddelen, waarin de plaats waarvoor die vergunning geldt, wordt vermeld.

2. Wanneer de personen die gemachtigd of gerechtigd zijn geneesmiddelen aan het publiek af te leveren, krachtens hun nationale wetgeving ook de activiteit van groothandelaar mogen uitoefenen, moeten zij de in lid 1 bedoelde vergunning bezitten.

3. Het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de tweede Richtlijn 75/319/EEG van de Raad van 20 mei 1975 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten(5) behelst tevens vergunning voor de groothandel in de onder die vergunning vallende geneesmiddelen. De bezitter van een vergunning voor de uitoefening van de activiteit van groothandelaar in geneesmiddelen, is niet ontheven van de verplichting over een vergunning voor de vervaardiging te beschikken en de ter zake vastgestelde voorwaarden na te leven, ook indien vervaardiging of invoer als bijberoep wordt uitgeoefend.

4. Op verzoek van de Commissie of een Lid-Staat moeten de Lid-Staten alle relevante gegevens verstrekken over de door hen krachtens lid 1 verleende individuele vergunningen.

5. De controle op de personen en instellingen die gemachtigd zijn de activiteit van groothandelaar in geneesmiddelen uit te oefenen, en de inspectie van de bedrijfsruimten waarover zij beschikken, worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Lid-Staat die de vergunning heeft verleend.

6. De Lid-Staat die de in lid 1 bedoelde vergunning heeft verleend, schorst deze of trekt haar in, wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

7. Indien een Lid-Staat oordeelt dat met betrekking tot de houder van een door een andere Lid-Staat op grond van lid 1 verleende vergunning niet of niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan, stelt hij de Commissie en de betrokken Lid-Staat daarvan onverwijld in kennis. Laatstgenoemde Lid-Staat neemt de nodige maatregelen en deelt de Commissie en de eerste Lid-Staat de genomen besluiten en de redenen daarvan mede.