Art. 3 Verordening (EEG) nr. 295/91
1. De luchtvaartmaatschappij moet de regels vaststellen die zij in geval van overboeking voor het aan boord toelaten van passagiers zal toepassen. Zij deelt deze regels en alle eventuele wijzigingen mee aan de betrokken Lid-Staat en aan de Commissie, die ze ter beschikking stelt van de andere Lid-Staten. Eventuele wijzigingen worden van kracht een maand nadat zij zijn meegedeeld.
2. De in lid 1 bedoelde regels liggen ter inzage voor het publiek bij de agentschappen en incheckbalies van de maatschappij.
3. De in lid 1 bedoelde regels moeten voorzien in de mogelijkheid dat een beroep wordt gedaan op passagiers die bereid zijn vrijwillig van instappen af te zien.
4. De luchtvaartmaatschappij moet in ieder geval de belangen in aanmerking nemen van passagiers die om gegronde redenen voorrang moeten krijgen, zoals minder validen en kinderen zonder begeleiding.