Art. 6 Richtlijn 90/220/EEG
1. Na ontvangst en bevestiging van ontvangst van de kennisgeving neemt de bevoegde instantie de volgende stappen:
- zij gaat na of de kennisgeving voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn,
- zij beoordeelt de aan de introductie verbonden risico's,
- zij legt haar conclusies schriftelijk vast,
en zal zo nodig
- de voor controledoeleinden vereiste proeven of inspecties verrichten.
2. Na in voorkomend geval de overeenkomstig artikel 9 door andere Lid-Staten gemaakte opmerkingen in aanmerking te hebben genomen, antwoordt de bevoegde instantie de kennisgever schriftelijk binnen 90 dagen na ontvangst van de kennisgeving door:
a)
of wel
a) mee te delen dat zij ervan overtuigd is dat de kennisgeving voldoet aan het bepaalde in deze richtlijn en dat de introductie mag plaatsvinden;
of wel
b) mee te delen dat de introductie niet voldoet aan het bepaalde in de richtlijn en dat de kennisgeving derhalve is afgewezen.
3. De tijd gedurende welke de bevoegde instantie
- wacht op nadere gegevens die zij in voorkomend geval aan de kennisgever heeft gevraagd,
of
- overeenkomstig artikel 7 een openbaar onderzoek verricht of een raadpleging houdt,
wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in lid 2 bedoelde periode van 90 dagen.
4. De kennisgever mag de introductie alleen uitvoeren indien hij daartoe de schriftelijke toestemming heeft verkregen van de bevoegde instantie en met inachtneming van de eventueel aan deze toestemming verbonden voorwaarden.
5. Indien de bevoegde instantie van mening is dat voldoende ervaring is opgedaan met de introductie van bepaalde GGO's, kan zij bij de Commissie een verzoek indienen voor toepassing van vereenvoudigde procedures voor de introductie van zulke types GGO's. De Commissie stelt, volgens de procedures van artikel 21, passende criteria vast en neemt aan de hand daarvan over elk verzoek een beslissing. De criteria zijn gebaseerd op de veiligheid voor de menselijke gezondheid en het milieu en op de beschikbare bewijzen omtrent deze veiligheid.
6. Wanneer de bevoegde instantie daarna de beschikking krijgt over gegevens die aanzienlijke consequenties kunnen hebben voor de risico's die aan de introductie zijn verbonden, kan de bevoegde instantie van de kennisgever eisen de doelbewuste introductie op te schorten of te beëindigen of de omstandigheden ervan te wijzigen.