Art. 4 Richtlijn 89/552/EEG
1. Voor zover mogelijk zien de Lid-Staten er met passende middelen op toe dat de omroeporganisaties het grootste gedeelte van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame of teletekst gewijde zendtijd reserveren voor Europese produkties in de zin van artikel 6. Dit gedeelte moet geleidelijk, aan de hand van passende criteria, worden bereikt, rekening houdend met de verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie jegens haar publiek inzake voorlichting, vorming, cultuur en amusement.
2. Wanneer het in lid 1 omschreven gedeelte niet kan worden bereikt, mag het niet geringer zijn dan het gedeelte dat in 1988 gemiddeld in de betrokken Lid-Staat is vastgesteld.
Ten aanzien van de Helleense Republiek en de Portugese Republiek wordt het jaar 1988 echter vervangen door het jaar 1990. 3. Vanaf 3 oktober 1991 leggen de Lid-Staten om de twee jaar aan de Commissie een verslag voor over de toepassing van het onderhavige artikel en van artikel 5.
Dit verslag bevat met name een statistisch overzicht van de mate waarin het in het onderhavige artikel en in artikel 5 genoemde gedeelte voor elk van de televisieprogramma's die onder de bevoegdheid van de betrokken Lid-Staat vallen, is bereikt, de redenen waarom dat in bepaalde gevallen niet is gebeurd, alsmede de maatregelen die in verband daarmee genomen zijn of overwogen worden.
De Commissie brengt deze verslagen, eventueel vergezeld van een advies, ter kennis van de andere Lid-Staten en van het Europese Parlement. Zij ziet toe op de toepassing van het onderhavige artikel en van artikel 5, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag. In haar advies kan de Commissie met name rekening houden met de in vergelijking met voorgaande jaren geboekte vooruitgang, het aandeel van de voor het eerst uitgezonden produkties in het programma-aanbod, bijzondere omstandigheden waarin nieuwe omroeporganisaties zich bevinden en de specifieke situatie van landen met een geringe audiovisuele produktiecapaciteit of een beperkt taalgebied.
4. Uiterlijk aan het eind van het vijfde jaar na de vaststelling van de onderhavige richtlijn beziet de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, vergezeld van de wijzigingsvoorstellen die zij passend acht, opnieuw de tenuitvoerlegging van het onderhavige artikel.
Daartoe wordt in het verslag van de Commissie, op basis van de door de Lid-Staten overeenkomstig lid 3 verstrekte inlichtingen, met name rekening gehouden met de ontwikkeling die zich op de communautaire markt en in internationaal verband heeft voorgedaan.