Art. 2 Richtlijn 89/106/EEG

Richtlijn 89/106/EEG

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde produkten die voor verwerking in werken bestemd zijn, alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn, dat wil zeggen zodanige eigenschappen bezitten dat de werken waarin zij moeten worden verwerkt, gemonteerd, toegepast of geïnstalleerd, indien behoorlijk ontworpen en uitgevoerd, kunnen voldoen aan de in artikel 3 genoemde fundamentele voorschriften, voor zover die werken zijn onderworpen aan regelingen waarin die voorschriften zijn opgenomen.

2. Indien produkten met betrekking tot andere aspecten onder andere communautaire richtlijnen vallen, geeft het in artikel 4, lid 2, genoemde EG-conformiteitsmerkteken, hierna "EG-merkteken'' te noemen, in die gevallen aan dat eveneens is voldaan aan de voorschriften van die andere richtlijnen

3. Wanneer een toekomstige richtlijn hoofdzakelijk betrekking heeft op andere aspecten en slechts in geringe mate op de fundamentele voorschriften van deze richtlijn, moet in die andere richtlijn worden bepaald dat zij ook betrekking heeft op de voorschriften van deze richtlijn.

4. De bepalingen van deze richtlijn laten de mogelijkheid van de Lid-Staten onverlet om, met inachtneming van het Verdrag, de voorschriften uit te vaardigen die zij noodzakelijk achten voor de bescherming van de werknemers bij het gebruik van de produkten, voor zover zulks geen veranderingen in de produkten ten opzichte van de voorschriften van deze richtlijn inhoudt.