Conclusie A-G Knigge 19 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV1141
Gebruik voor bewijs van i.h.k.v. bestuurlijk toezicht door verdachte zelf verzamelde gegevens uit bedrijfsafvalwaterrapportage (BAWR). 1. Verzuim strafbaarstelling in art. 1a WED van overtreding Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO). 2. Bruikbaarheid voor bewijs BAWR-gegevens, waarbij mogelijk niet de voor opsporing geldende ‘Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten’ van het College van PG’s in acht is genomen. 3. Eisen aan betrouwbaarheidsverweer. 4. Nemo tenetur-beginsel en BAWR-gegevens. Ad 1. ’s Hofs overweging is juist dat sprake is van een omissie van de wetgever en dat overtreding van art. 26 of 30a WVO steeds strafbaar is geweest (HR NJ 2005, 540). Ad 2. De BAWR, die door verdachte zelf is aangeleverd, is tot stand gekomen krachtens de aan verdachte verleende vergunning. De WVO en de daarop gebaseerde regelgeving bevatten geen regels m.b.t. de te hanteren onderzoeksmethode i.h.k.v. het toezicht op de naleving van de in art. 30a WVO gegeven voorschriften en de opsporing van overtredingen. De voormelde Aanwijzing die dergelijke regels wel bevat, heeft wat betreft het nemen van monsters i.h.k.v. het bestuurlijk toezicht slechts het karakter van een advies. De WVO staat er daarom niet aan in de weg dat bij een vervolging en veroordeling t.z.v. overtreding van art. 30a WVO wordt uitgegaan van i.h.k.v. het bestuurlijk toezicht door het bedrijf zelf verzamelde gegevens, ook al zou daarbij niet zijn gehandeld overeenkomstig de in de Aanwijzing (voor de opsporing dwingend) gegeven regels. Het hof heeft bij de bewijsvoering gebruik mogen maken van de BAWR-gegevens. Ad 3. De enkele stelling dat de BAWR-gegevens niet volgens de Aanwijzing tot stand zijn gekomen is niet een voldoende duidelijk geformuleerd verweer t.a.v. de betrouwbaarheid van die gegevens waarop het hof gehouden was een uitdrukkelijke beslissing te geven (HR NJ 2002, 149). 4. In het NL recht is niet een onvoorwaardelijk recht of beginsel verankerd dat een verdachte op geen enkele wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal. Wel brengt het aan art. 29 Sv ten grondslag liggende beginsel mee dat een verdachte niet kan worden verplicht tot het afleggen van een verklaring - het verschaffen van schriftelijke inlichtingen daaronder begrepen - omtrent zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Voorts ligt in art. 6 EVRM besloten dat, indien t.a.v. een verdachte sprake is van een "criminal charge", deze het recht heeft "to remain silent" en "not to incriminate oneself". Het voorgaande geldt niet voor degene die, zonder dat t.a.v. hem sprake is van verdenking van enig strafbaar feit dan wel van een criminal charge, o.g.v. een strafrechtelijk gesanctioneerd vergunningsvoorschrift verplicht is gegevens te verstrekken. Dat o.g.v. die gegevens mogelijk een verdenking t.z.v. enig strafbaar feit kan rijzen, doet daaraan niet af (HR NJ 1999, 648). ‘s Hofs oordeel dat de BAWR-gegevens door verdachte zijn verzameld en verstrekt toen jegens haar nog geen sprake was van een verdenking of van een “criminal charge” is onjuist noch onbegrijpelijk. De omstandigheid dat verdachte de BAWR-gegevens zelf heeft verzameld en verstrekt, doet daaraan niet af. De desbetreffende vergunningsvoorschriften, die daartoe verplichten, zijn gesteld met het oog op het uit te oefenen toezicht op de naleving van de WVO en de krachtens die wet gegeven vergunningsvoorschriften. De belangen die genoemde wet beoogt te beschermen, rechtvaardigen dat toezicht en de wijze waarop het wordt uitgeoefend, alsmede het gebruik van aldus verkregen gegevens bij de vaststelling van een inbreuk daarop. Art. 6 EVRM verzet zich daartegen niet. Ook het gebruik van die BAWR-gegevens als bewijsmateriaal in de strafzaak van verdachte is niet i.s.m. het in art. 6.1 EVRM besloten liggende recht van verdachte om niet aan zijn eigen veroordeling te hoeven meewerken. Deze gegevens vallen buiten het bereik van het recht dat een verdachte kan ontlenen aan art. 29 Sv en art. 6 EVRM om te weigeren informatie en opheldering aan de overheid te verschaffen die in een strafzaak tot bewijs tegen hem kunnen dienen (Saunders EHRM NJ 1997, 699).
De uitspraak op rechtspraak.nl