Art. 3 Verordening (EEG) nr. 918/83
De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die :
a) behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen , ten minste zes maanden voor de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven , in zijn bezit zijn geweest en , wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft , door hem in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt ;
b) bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats .
De Lid-Staten mogen bovendien de vrijstelling afhankelijk stellen van de voorwaarde dat op de betrokken goederen , hetzij in het land van oorsprong , hetzij in het land van herkomst , de douanerechten en/of belastingen zijn geheven welke daar normaal op slaan .