Art. 5 Verordening (EEG) nr. 3626/82
1. Voor het binnenbrengen van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde specimens in de Gemeenschap is een daartoe in artikel 10 voorgeschreven invoervergunning of -certificaat vereist , over te leggen op het douanekantoor waar de douaneformaliteiten worden vervuld .
2. Voor de uitvoer of wederuitvoer uit de Gemeenschap van de in artikel 2 bedoelde specimens is een daartoe in artikel 10 , lid 3 , voorgeschreven document vereist , dat moet worden overgelegd op het douanekantoor waar de douaneformaliteiten worden vervuld .
3. De douanekantoren sturen de overeenkomstig de leden 1 en 2 overgelegde vergunningen terug aan de administratieve instantie van de Lid-Staat waaronder zij ressorteren .
4. In afwijking van de leden 1 en 2 is de in artikel 10 voorgeschreven vergunning niet vereist indien het om in de Gemeenschap binnengebrachte specimens gaat die hetzij onder de doorvoerprocedure , hetzij onder een stelsel van voorlopige opslag vallen , mits door de administratieve instantie van het land van uitvoer een voor deze specimens geldend uitvoerdocument wordt afgegeven . In dat geval kunnen de Lid-Staten de overlegging eisen van de in de Overeenkomst voorgeschreven uitvoerdocumenten of een afdoend bewijs van het bestaan ervan .