Art. 5 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Levering van goederen

Zesde Richtlijn 77/388/EEG

1. Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken .

2. Elektrische stroom , gas , warmte , koude en soortgelijke zaken worden als lichamelijke zaken beschouwd .

3. De Lid-Staten kunnen als lichamelijke zaken beschouwen :

a) bepaalde rechten op onroerende goederen ;

b) de zakelijke rechten die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken ;

c) de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan .

4. Als leveringen in de zin van lid 1 worden eveneens beschouwd :

a) de eigendomsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding , ingevolge een vordering door of namens de overheid dan wel krachtens de wet ;

b) de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling , in beide gevallen onder het beding dat normaliter het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen ;

c) de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot aan - of verkoop in commissie .

5. Als een levering in de zin van lid 1 kunnen de Lid-Staten beschouwen :

a) de oplevering van een werk in roerende staat , dat wil zeggen de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld , met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt , ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft ;

b) de oplevering van een werk in onroerende staat .

6. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel , of dat hij om niet verstrekt of , meer in het algemeen , voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt , ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan . Onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster , worden niet als zodanig beschouwd .

7. De Lid-Staten kunnen met een levering onder bezwarende titel gelijkstellen :

a) het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat in het kader van zijn bedrijf is vervaardigd , gebouwd , gewonnen , bewerkt , aangekocht of ingevoerd , indien het van een andere belastingplichtige betrekken van een dergelijk goed hem geen recht zou geven op volledige aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde ;

b) het door een belastingplichtige voor een niet-belaste sector van zijn bedrijfsuitoefening bestemmen van een goed , voor zover bij de aanschaffing van dat goed of bij de bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde sub a ) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan ;

c) met uitzondering van de in lid 8 genoemde gevallen , het onder zich hebben van goederen door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden wanneer hij de uitoefening van zijn belastbare economische activiteit beëindigt , ingeval bij de aanschaffing van die goederen of bij de bestemming ervan overeenkomstig het bepaalde sub a ) recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan .

8. De Lid-Staten kunnen , in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel , om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap , zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan , in de plaats treedt van de overdrager . De Lid-Staten kunnen in voorkomend geval de nodige maatregelen treffen om concurrentievervalsing te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan niet volledig belastingplichtig is .

Uitspraken die dit artikel aanhalen