Art. 6 Richtlijn 74/409/EEG
1. Honing die in de handel wordt gebracht , moet de in de bijlage vermelde samenstelling hebben .
De Lid-Staten kunnen echter , in afwijking van punt 2 , tweede streepje van die bijlage op hun grondgebied toestemming geven voor
a) de handel in heidehoning met een vochtgehalte tot ten hoogste 25 % wanneer dit gehalte voortvloeit uit de natuurlijke produktieomstandigheden ,
b) de handel in " bakkershoning " / " bakkershonig " of " industriehoning " / " industriehonig " met een vochtgehalte tot ten hoogste 25 % , wanneer dit gehalte voortvloeit uit de natuurlijke produktieomstandigheden .
2. Voorts ,
a) dient de honing die als zodanig in de handel wordt gebracht , of die wordt gebruikt in een voor de menselijke consumptie bestemd produkt , zoveel mogelijk vrij te zijn van organische of anorganische vreemde bestanddelen , zoals bij voorbeeld schimmels , insekten en delen van insekten , broed en zandkorrels ;
b) mag de honing
i) geen vreemde smaak of reuk hebben ;
ii) geen begin van gisting vertonen , noch in gisting zijn ;
iii) niet op zodanige wijze verwarmd zijn dat de natuurlijke enzymen zijn vernietigd of in aanzienlijke mate inactief zijn gemaakt ;
iv) geen kunstmatig gewijzigd zuurgehalte hebben ;
c) mag de honing in geen geval stoffen van welke aard ook in een zodanige hoeveelheid bevatten , dat zij een gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen vormen .
3. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 mag onder de benaming " bakkershoning " / " bakkershonig " of " industriehoning " / " industriehonig " honing in de handel worden gebracht die , hoewel geschikt voor menselijke consumptie ,
a) niet voldoet aan de in lid 2 , sub b ) , i ) , ii ) , iii ) , bedoelde eisen , of
b) een diastase-index of een gehalte aan hydroxymethylfurfural heeft die niet beantwoorden aan de in de bijlage vastgestelde kenmerken .
In het sub b ) genoemde geval echter behoeft een Lid-Staat het gebruik van deze benaming niet verplicht te stellen en kan hij het gebruik van de benaming " honing " " honig " toelaten . De Raad beslist op voorstel van de Commissie binnen 5 jaar na kennisgeving van deze richtlijn over maatregelen tot vaststelling van eenvormige voorschriften voor de gehele Gemeenschap .