Art. 16 Eerste Richtlijn 73/239/EEG
1. Iedere Lid-Staat verplicht elke onderneming waarvan het hoofdkantoor op zijn grondgebied is gevestigd , een voldoende solvabiliteitsmarge te vormen met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden .
De solvabiliteitsmarge komt overeen met het vermogen van de onderneming dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichtingen , na aftrek van de onlichamelijke bestanddelen . Deze marge omvat met name :
- het gestorte maatschappelijk kapitaal of , wat betreft de onderlinge waarborgmaatschappijen , c.q . onderlinge verzekeringsmaatschappijen , het werkelijke aanvangsfonds ;
- de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het aanvangsfonds zodra het gestorte gedeelte 25 % van dit kapitaal of fonds bedraagt ;
- de ( wettelijke en vrije ) reserves die niet tegenover verplichtingen staan ;
- de overgebrachte winst ;
- de suppletiebijdragen welke onderlinge waarborgmaatschappijen , c.q . onderlinge verzekeringsmaatschappijen en vennootschappen met een dienovereenkomstige rechtsvorm met variabele premies van hun leden kunnen eisen uit hoofde van het boekjaar tot een bedrag gelijk aan de helft van het verschil tussen de maximumbijdragen en de werkelijk ingevorderde bijdragen ; deze mogelijke suppletiebijdragen kunnen evenwel niet meer dan 50 % van de marge bedragen ;
- op een met redenen omkleed verzoek van de onderneming en indien de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken Lid-Staten waar de onderneming werkzaam is hiermede instemmen , de meerwaarden welke voortvloeien uit de onderwaardering van activa en de overwaardering van passiva , voor zover deze meerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben .
De overwaardering van de technische reserves wordt beoordeeld door uit te gaan van hun grootte , zoals deze door de onderneming overeenkomstig de nationale regeling wordt berekend ; totdat een coordinatie op het stuk van de technische reserves is tot stand gebracht , kan evenwel een bedrag , gelijk aan 75 % van het verschil tussen enerzijds de reserve voor lopende risico's , zoals deze door de onderneming forfaitair is berekend door toepassing van een minimumpercentage ten opzichte van de premies , en anderzijds het bedrag waarop men , indien de nationale wetgeving de keuze laat tussen beide methoden , zou zijn uitgekomen door de reserve per contract te berekenen , in de solvabiliteitsmarge worden verdisconteerd en wel tot 20 % .
2. De solvabiliteitsmarge wordt bepaald , hetzij ten opzichte van het jaarlijks bedrag van premies of bijdragen , hetzij ten opzichte van de gemiddelde betaalde schaden ten laste van de laatste drie boekjaren . Wanneer ondernemingen evenwel in hoofdzaak slechts één of meer van de risico's van stormschade , hagelschade en vorstschade dekken , wordt voor de referentieperiode voor de gemiddelde betaalde schaden rekening gehouden met de laatste zeven boekjaren .
3. Behoudens artikel 17 moet het bedrag van de solvabiliteitsmarge gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de volgende twee berekeningen :
Eerste berekening ( ten opzichte van de premies ) :
- samengeteld worden de premies of bijdragen welke op grond van de directe zaken gedurende het laatste boekjaar zijn opgelegd uit hoofde van alle boekjaren , met inbegrip van bijkomende kosten ;
- daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de premies welke gedurende het laatste jaar uit hoofde van herverzekering werden ontvangen ;
- afgetrokken worden het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar geannuleerde premies of bijdragen , alsmede het totaalbedrag van de belastingen en rechten op de samengestelde premies of bijdragen .
Nadat het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst , namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 10 miljoen rekeneenheden en een tweede gedeelte dat het overige omvat , worden deze gedeelten respectievelijk vermenigvuldigd met 18 % en 16 % en vervolgens opgeteld .
De uitkomst van de eerste berekening wordt verkregen door dit nieuwe bedrag te vermenigvuldigen met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden welke ten laste van de onderneming blijven na overdracht uit hoofde van herverzekering en het bedrag van de brutoschaden ; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 % .
Tweede berekening ( ten opzichte van de schaden ) :
- samengeteld worden , zonder aftrek van de ten laste van de cessionarissen en retrocessionarissen komende schaden , de bedragen van de gedurende de in lid 2 bedoelde perioden op grond van de directe zaken betaalde schaden ;
- daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de schaden welke gedurende dezelfde perioden zijn betaald uit hoofde van geaccepteerde herverzekeringen of retrocessies ;
- eveneens wordt toegevoegd het bedrag van de reserves voor te betalen schaden welke aan het einde van het laatste boekjaar zijn gevormd , zowel voor directe zaken als voor geaccepteerde herverzekeringen ;
- afgetrokken wordt het bedrag dat in de in lid 2 bedoelde perioden door het uitoefenen van verhaalsrecht werd ontvangen ;
- eveneens wordt afgetrokken het bedrag van de reserves voor te betalen schaden welke aan het begin van het tweede boekjaar , voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar , zijn gevormd , zulks zowel voor directe zaken als voor geaccepteerde herverzekeringen .
Nadat , al naar gelang van de overeenkomstig lid 2 in aanmerking genomen referentieperiode , een derde , respectievelijk een zevende van het aldus verkregen bedrag in twee gedeelten is gesplitst , namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 7 miljoen rekeneenheden , en een tweede gedeelte dat het overige omvat , worden deze gedeelten respectievelijk vermenigvuldigd met 26 % en 23 % en vervolgens opgeteld .
De uitkomst van de tweede berekening wordt verkregen door dit nieuwe bedrag te vermenigvuldigen met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden welke ten laste van de onderneming blijven na overdracht uit hoofde van herverzekering en het bedrag van de brutoschaden ; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 % .
4. De breukgetallen die moeten worden toegepast op de in lid 3 bedoelde gedeelten , worden tot een derde verminderd voor de ziekteverzekering welke op analoge wijze als de levensverzekering wordt beheerd , indien
- de geheven premies volgens de verzekeringswiskundige methoden worden berekend aan de hand van ziektetafels ;
- een ouderdomsreserve wordt gevormd ;
- een aanvullende premie wordt geheven om een reële veiligheidsmarge te vormen ;
- de verzekeringsonderneming het contract alleen voor het einde van het derde verzekeringsjaar nog kan opzeggen ;
- in het contract de mogelijkheid is vastgesteld om ook voor lopende contracten de premies te verhogen of de verstrekkingen te verminderen .
5. In het geval van Lloyd's , waar de eerste berekening ( ten opzichte van de premies ) , als bedoeld in lid 3 , geschiedt uitgaande van de nettopremies , worden deze nettopremies vermenigvuldigd met een forfaitair percentage dat jaarlijks wordt vastgesteld en bepaald door de toezichthoudende autoriteit van het hoofdkantoor . Dit forfaitaire percentage moet worden berekend uitgaande van de meest recente statistische gegevens , met name betreffende de betaalde provisies .
Deze gegevens alsmede de verrichte berekening moeten worden medegedeeld aan de toezichthoudende autoriteiten van de landen waar Lloyd's is gevestigd .