Art. 6 Verordening (EEG) nr. 574/72, Toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering

Verordening (EEG) nr. 574/72

1. Indien de belanghebbende, met inachtneming van het bepaalde in artikel 9 en artikel 15, lid 3, van de verordening, krachtens de wetgeving van een Lid-Staat voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering bij invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) ingevolge meer dan één stelsel, en hij op grond van zijn laatste al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge één dezer stelsels, kan hij op grond van bedoelde bepalingen toegelaten worden tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering ingevolge het door de wetgeving van deze Lid-Staat aangewezen stelsel of, indien zulk een aanwijzing ontbreekt, tot het stelsel van zijn keuze.

2. Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 9, lid 2, van de verordening, is de belanghebbende verplicht aan het orgaan van de betrokken Lid-Staat een verklaring over te leggen inzake de tijdvakken van verzekering of wonen, die krachtens de wetgeving van enige andere Lid-Staat zijn vervuld. Deze verklaring wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt door het orgaan of de organen die de wettelijke regelingen toepassen krachtens welke hij deze tijdvakken heeft vervuld.

Toepassing van artikel 12 van de verordening

Artikel 7 (11)

Algemene voorschriften betreffende de toepassing der bepalingen ter voorkoming van samenloop

1. Wanneer uitkeringen verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Lid-Staten wederzijds kunnen worden verminderd, geschorst of ingetrokken, worden de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken Lid-Staten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitbetaald, gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen is.

2. Voor de toepassing van artikel 12, leden 2, 3 en 4, artikel 46 bis, artikel 46 ter en artikel 46 quater van de verordening verstrekken de betrokken bevoegde organen elkaar desgevraagd alle ter zake dienende inlichtingen.

Artikel 8 (5)

Voorschriften in geval van samenloop van rechten op prestaties bij ziekte of moederschap krachtens de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat

1. Indien een werknemer of zelfstandige of een lid van zijn gezin aanspraak kan maken op prestaties bij moederschap krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, worden deze prestaties uitsluitend toegekend krachtens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan de bevalling heeft plaatsgehad of, indien de bevalling niet op het grondgebied van één dezer Lid-Staten heeft plaatsgevonden, uitsluitend krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waaraan deze werknemer of zelfstandige laatstelijk onderworpen is geweest.

2. Indien een werknemer of zelfstandige aanspraak kan maken op prestaties bij ziekte krachtens de wettelijke regelingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk voor hetzelfde tijdvak van arbeidsongeschiktheid, worden deze prestaties uitsluitend toegekend krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waaraan de belanghebbende laatstelijk onderworpen is geweest.

3. Indien de betrokkene of een lid van zijn gezin in de in artikel 14 quater, onder b), van de verordening bedoelde gevallen aanspraak kan maken op verstrekkingen bij ziekte of moederschap krachtens beide betrokken wetgevingen zijn de volgende regels van toepassing:

a) wanneer ten minste één van deze wetgevingen bepaalt dat de verstrekkingen worden verleend in de vorm van een vergoeding aan de rechthebbende, komen deze uitsluitend ten laste van het orgaan van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan zij zijn verleend;

b) wanneer de verstrekkingen zijn verleend op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de twee betrokken Lid-Staten komen zij uitsluitend ten laste van het orgaan van de Lid-Staat aan de wetgeving waarvan de betrokkene op grond van zijn werkzaamheden in loondienst onderworpen is.

Artikel 8 bis

Voorschriften in geval van samenloop van rechten op prestaties bij ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte krachtens de wettelijke regeling in Griekenland en de wettelijke regelingen van één of meer andere Lid-Staten

Indien een werknemer of zelfstandige of een lid van zijn gezin gedurende een zelfde tijdvak aanspraak kan maken op prestaties bij ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte krachtens de wettelijke regeling van Griekenland en de wettelijke regeling van één of meer andere Lid-Staten, worden deze prestaties uitsluitend toegekend krachtens de wettelijke regeling waaraan de belanghebbende laatstelijk onderworpen is geweest.

Artikel 9 (5)

Voorschriften in geval van samenloop van rechten op uitkeringen bij overlijden krachtens de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat

1. Bij overlijden op het grondgebied van een Lid-Staat, wordt alleen het krachtens de wettelijke regeling van deze Staat verkregen recht op de uitkering bij overlijden gehandhaafd, terwijl het krachtens de wettelijke regelingen van alle andere Lid-Staten verkregen recht vervalt.

2. Bij overlijden op het grondgebied van een Lid-Staat, terwijl het recht op een uitkering bij overlijden is verkregen krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer andere Lid-Staten, of bij overlijden buiten het grondgebied der Lid-Staten, terwijl dit recht krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten is verkregen, wordt alleen het recht dat werd verkregen ingevolge de wettelijke regeling van de Lid-Staat, waaraan de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, gehandhaafd, terwijl het krachtens de wettelijke regelingen van alle andere Lid-Staten verkregen recht vervalt.

3. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 wordt in de in artikel 14 quater, onder b), van de verordening bedoelde gevallen het recht op een uitkering bij overlijden, verkregen krachtens de wetgeving van beide betrokken Lid-Staten als bedoeld in bijlage VII van de verordening, gehandhaafd.

Artikel 9 bis

Voorschriften in geval van samenloop van rechten op werkloosheidsuitkeringen

Wanneer een werknemer of zelfstandige, die krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat waaraan hij tijdens zijn laatste al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden onderworpen was, op grond van artikel 69 van de verordening recht heeft op werkloosheidsuitkeringen, zich naar Griekenland begeeft waar hij uit hoofde van een vroeger onder de Griekse wettelijke regeling vervuld tijdvak van verzekering of van arbeid als werknemer of zelfstandige ook recht heeft op werkloosheidsuitkeringen, wordt het recht op uitkering krachtens de Griekse wettelijke regeling opgeschort gedurende het in artikel 69, lid 1, onder c), van de verordening bedoelde tijdvak.

Artikel 10 (12) (13)

Voorschriften in geval van samenloop van rechten op gezins- of kinderbijslag voor werknemers en zelfstandigen

1. a) Het recht op gezins- of kinderbijslag die is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslag geen voorwaarden inzake verzekering, werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst worden gesteld, wordt geschorst wanneer tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid bijslag verschuldigd is enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere Lid-Staat of krachtens artikel 73, 74, 77 of 78 van de verordening, ten belope van het bedrag van die bijslag

b) Wanneer echter op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend:

i) in het geval van bijslag verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere Lid-Staat of op grond van artikel 73 of 74 van de verordening, door degene die recht heeft op gezinsbijslagen of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald, wordt het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van die andere Lid-Staat of krachtens deze artikelen, geschorst ten belope van het bedrag van de gezinsbijslagen zoals voorzien in de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont. De bijslag die wordt uitbetaald door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont, komt ten laste van deze Staat;

ii) in het geval van bijslag verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere Lid-Staat of op grond van artikel 77 of 78 van de verordening, door degene die recht heeft op deze bijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald, wordt het recht op deze gezins- of kinderbijslag, verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van die andere Lid-Staat of krachtens deze artikelen, geschorst; in dat geval heeft de betrokkene recht op gezins- of kinderbijslag van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de kinderen wonen en ten laste van deze Lid-Staat, alsmede, voor zover van toepassing, op andere bijslagen dan de kinderbijslag als bedoeld in artikel 77 of 78 van de verordening, ten laste van de in de zin van die artikelen bevoegde Staat.

2. Indien een werknemer die onderworpen is aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, uit hoofde van vroeger onder de Griekse wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid recht op gezinsbijslag heeft, wordt dit recht ten belope van het bedrag van deze bijslag geschorst wanneer tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid krachtens de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat gezinsbijslagen verschuldigd zijn krachtens de artikelen 73 en 74 van de verordening.

3. In het geval van bijslag die voor hetzelfde tijdvak en voor hetzelfde gezinslid door twee Lid-Staten in toepassing van de artikelen 73 en/of 74 van de verordening verschuldigd is, betaalt het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waarvan de wetgeving de hoogste uitkering biedt, het gehele bedrag uit, terwijl het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat dat orgaan, binnen de grenzen van de in de wetgeving van die Lid-Staat voorziene bedragen, de helft van dat bedrag vergoedt.

Artikel 10 bis (8)

Voorschriften die van toepassing zijn indien op de werknemer of zelfstandige gedurende een zelfde tijdvak of een gedeelte van een tijdvak achtereenvolgens de wettelijke regeling van diverse Lid-Staten van toepassing is

Indien op een werknemer of zelfstandige achtereenvolgens de wettelijke regeling van twee Lid-Staten van toepassing was gedurende het tijdvak gelegen tussen twee vervaldagen, zoals die zijn voorzien in de wettelijke regeling van één of beide betrokken Lid-Staten ter zake van de toekenning van de gezinsbijslagen, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

a) de gezinsbijslagen waarop de betrokkene aanspraak kan maken op grond van het feit dat de wettelijke regeling van elk van deze Staten op hem van toepassing was, komen overeen met het aantal dagelijkse bijslagen die krachtens de betrokken wettelijke regeling verschuldigd zijn. Indien de wettelijke regelingen waaraan hij onderworpen is geweest geen dagelijkse bijslagen kennen, worden de gezinsbijslagen toegekend naar verhouding van de tijd gedurende welke de belanghebbende onderworpen is geweest aan de wettelijke regeling van elk der Lid-Staten ten opzichte van het bij de betrokken wettelijke regeling vastgestelde tijdvak;

b) indien de gezinsbijslagen zijn verleend door een orgaan gedurende een tijdvak waarin deze hadden moeten worden verleend door een ander orgaan, vindt verrekening tussen deze organen plaats;

c) voor de toepassing van het bepaalde onder a) en b) vindt de omrekening plaats overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de toepassingsverordening, indien de krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat vervulde tijdvakken van al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden in andere eenheden zijn uitgedrukt dan die welke dienen voor de berekening van de gezinsbijslagen krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat waaraan de belanghebbende gedurende een zelfde tijdvak eveneens onderworpen is geweest;

d) in afwijking van het bepaalde onder a) neemt, in het kader van de in bijlage 8 van de toepassingsverordening genoemde betrekkingen tussen de Lid-Staten, het orgaan dat de kosten van de gezinsbijslagen draagt op grond van de eerste werkzaamheden al dan niet in loondienst gedurende het betrokken tijdvak, deze kosten gedurende het gehele lopende tijdvak voor zijn rekening.