Art. 60 Verordening (EEG) nr. 1408/71
1. Ingeval een beroepsziekte waarvoor een werknemer op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat schadeloosstelling geniet of genoten heeft, verergert, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) indien de werknemer, sedert hij uitkeringen geniet, onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat geen werkzaamheden heeft uitgeoefend, welke de desbetreffende beroepsziekte kunnen veroorzaken of verergeren, dient het bevoegde orgaan van de eerste Staat de uitkeringen voor zijn rekening te nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, waarbij rekening wordt gehouden met de verergering;
b) indien de werknemer, sedert hij uitkeringen geniet, onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wel zodanige werkzaamheden heeft uitgeoefend, dient het bevoegde organ van de eerste Staat de uitkeringen voor zijn rekening te nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, waarbij het geen rekening houdt met de verergering. Het bevoegde orgaan van de tweede Staat kent de werknemer een aanvulling toe, ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen welke nà de verergering verschuldigd zijn en het bedrag van de uitkeringen welke vóór de verergering overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling verschuldigd zouden zijn geweest, indien de desbetreffende beroepsziekte zich onder de wettelijke regeling van die Staat had voorgedaan;
c) indien in het sub b) bedoelde geval een werknemer die lijdt aan sclerogene pneumoconiosi of aan een op grond van artikel 57, lid 4, aangewezen ziekte, geen recht heeft op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van de tweede Staat, dient het bevoegde orgaan van de eerste Staat de uitkeringen te verlenen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, waarbij het rekening houdt met de verergering. Voor rekening van het orgaan van de tweede Staat komt evenwel het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen, met inbegrip van de renten, welke door het bevoegde orgaan van de eerste Staat, rekening houdende met de verergering, verschuldigd zijn, en het bedrag van de overeenkomstige uitkeringen welke vóór de verergering verschuldigd waren.
2. Ingeval een beroepsziekte welke aanleiding heeft gegeven tot toepassing van artikel 57, lid 3, sub c), verergert, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) het bevoegde orgaan dat uitkeringen krachtens artikel 57, lid 1, heeft toegekend, dient de uitkeringen te verlenen volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, daarbij rekening houdende met de verergering;
b) de lasten van de uitkeringen, met inbegrip van de renten, blijven verdeeld over de organen welke ook de lasten van vroegere uitkeringen deelden, overeenkomstig artikel 57, lid 3, sub c). Indien de getroffene evenwel opnieuw werkzaamheden heeft uitgeoefend welke de desbetreffende ziekte kunnen veroorzaken of verergeren, en hij deze werkzaamheden heeft uitgeoefend hetzij onder de wettelijke regeling van een van de Lid-Staten op het grondgebied waarvan hij reeds eerder gelijksoortige werkzaamheden had verricht, hetzij onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, komt voor rekening van het orgaan van deze Staat het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen, welke, rekening houdende met de verergering, verschuldigd zijn, en het bedrag van de uitkeringen welke vóór de verergering verschuldigd waren.
Afdeling 3
Diverse bepalingen