Art. 57 Verordening (EEG) nr. 1408/71, Uitkeringen wegens beroepsziekte als betrokkene op het grondgebied van verschillende Lid-Staten aan hetzelfde gevaar was blootgesteld

Verordening (EEG) nr. 1408/71

1. Wanneer iemand die door een beroepsziekte getroffen is, onder de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden heeft verricht waardoor deze ziekte kan zijn ontstaan, worden de uitkeringen waarop de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen aanspraak kunnen maken, uitsluitend toegekend op grond van de in de laatste van deze Staten bestaande wettelijke regeling waarvan de voorwaarden vervuld zijn, eventueel met inachtneming van de leden 2 en 3.

2. Indien de toekenning van uitkering wegens beroepsziekte op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat afhankelijk is van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte het eerst op het grondgebied van die Staat medisch vastgesteld is, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer genoemde ziekte het eerst op het grondgebied van een andere Lid-Staat is vastgesteld.

3. In geval van sclerogene pneumoconiosis zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) indien toekenning van uitkeringen wegens beroepsziekte op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat afhankelijk is van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte is vastgesteld binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de laatste werkzaamheden waardoor een dergelijke ziekte kon ontstaan, houdt het bevoegde orgaan van die Staat, wanneer het nagaat op welk tijdstip die laatste werkzaamheden werden verricht, voor zover nodig rekening met gelijksoortige werkzaamheden welke onder de wettelijke regeling van iedere andere Lid-Staat zijn verricht, alsof zij onder de wettelijke regeling van eerstbedoelde Staat waren verricht;

b) indien toekenning van uitkeringen wegens beroepsziekte op grond van de wettelijke regeling van een Lid-Staat afhankelijk is van de voorwaarde dat gedurende een bepaalde tijd werkzaamheden waardoor de desbetreffende ziekte kon ontstaan, werde n verricht, houdt het bevoegde orgaan van die Staat voor zover nodig rekening met de tijdvakken waarin dergelijke werkzaamheden onder de wettelijke regeling van iedere andere Lid-Staat werden verricht, alsof zij onder de wettelijke regeling van eerstgenoemde Staat waren verricht;

c) de lasten van de uitkeringen, met inbegrip van de renten, worden omgeslagen over de bevoegde organen van de Lid-Staten op het grondgebied waarvan de getroffene werkzaamheden heeft verricht waardoor deze ziekte kon ontstaan. De omslag van deze kosten vindt plaats naar verhouding van de duur van de tijdvakken van de ouderdomsverzekering welke krachtens de wettelijke regelingen van elk van die Staten zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van ouderdomsverzekering welke op de datum van ingang van deze uitkeringen krachtens de wettelijke regelingen van al deze Staten zijn vervuld.

4. De Raad wijst, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen de beroepsziekten aan waarvoor het bepaalde in lid 3 eveneens geldt.